Kennisbundel Medicatieveiligheid

Vilans

Het medicatieproces in tien stappen

Medicatieproces

Verpleegkundige GGZ

'Ik las de medicatielijst voor aan de arts: Lorazepam 20 mg. De arts vroeg voorzichtig: "Hoe groot is deze meneer?" "Normaal postuur", antwoordde ik. Bleek dat die dosis sterk genoeg was om een paard te drogeren. In de medicatielijst had moeten staan: Temazepam 20 mg of Lorazepam 2,5 mg.'

Cindy, verpleegkundige

'Ik zorg ervoor dat de cliënt de juiste medicatie krijgt in de juiste dosis. En ik heb ook een signalerende functie voor eventuele bijwerkingen.'

Het medicatieproces moet zorgvuldig worden doorlopen. Duidelijk moet zijn wie voor welke stap verantwoordelijk is. Dit komt de medicatieveiligheid ten goede.

Het medicatieproces kent tien stappen. We beschrijven deze stappen en de positie, taken en verantwoordelijkheden van zorgmedewerkers.

Stap 1: Voorschrijven door een arts

De arts schrijft medicatie voor met een recept. Dit gebeurt met een elektronisch voorschrijfsysteem en niet meer met de hand. Hij vertelt de cliënt wat de reden van voorschrijven is, welke medicijnen hij krijgt en welke wijzigingen er in de medicatie zijn. De arts is verantwoordelijk voor het goed voorschrijven van de medicijnen, voor het bijhouden van het totale medicatieoverzicht en voor het doorgeven van wijzigingen. Wanneer hij een fout maakt, is hij vanzelfsprekend daarvoor verantwoordelijk, maar zorgmedewerkers kunnen (mede)verantwoordelijk zijn voor een fout wanneer:

  • ze merken dat een arts zich vergist en er niets mee doen
  • ze de instructies van de arts niet goed begrijpen en toch tot uitvoering overgaan
  • ze signaleren dat het duidelijk slechter gaat met de cliënt en toch tot uitvoering overgaan
  • ze niet doorgeven dat een cliënt slikproblemen heeft.

Praktijkvoorbeeld

De heer Bert de Vries, 66 jaar, heeft de afgelopen tijd last gehad van benauwdheid. Sinds een maand gaat dit een stuk beter. Hij heeft een gesprek met de arts en er wordt besloten om de Fluoxetine van 80mg te verlagen naar 60mg. Als je twee dagen later bij hem komt om hem te begeleiden met zijn medicatie, is er een nieuwe toedienlijst gekomen, waarop staat dat hij nu zowel een puf krijgt van 60mg als een van 80mg. Wat doe je?

Stap 2: Klaarmaken en afleveren door de apotheek

De apotheker of apotheekhoudend huisarts is ervoor verantwoordelijk dat de cliënt medicijnen ontvangt in een gebruiksvriendelijke verpakking. Gebruiksvriendelijk voor de cliënt, maar ook voor de zorgmedewerkers. Zij moeten kunnen zien en controleren wat ze aan de cliënt geven. Bij levering zorgt de apotheek voor een actueel medicatieoverzicht en een toedienlijst. De organisatie maakt hierover afspraken met de apotheker en de zorgmedewerkers moeten op de hoogte zijn van deze afspraken en ernaar handelen.

Praktijkvoorbeeld

Mevrouw Christa Priem ligt al een aantal dagen in het ziekenhuis. Ze heeft een wondinfectie die erg pijnlijk is. Hiervoor krijgt ze op vaste tijden morfine gespoten. De ampullen worden elke dag rond 11.30 uur bezorgd op de afdeling. Om 12.00 uur moet ze weer een injectie krijgen, maar de medicatie is nog niet aanwezig op de afdeling. Wat doe je?

Stap 3: Afspraken maken met de cliënt

Bij de start van de zorgverlening én periodiek checkt de zorgmedewerker of de cliënt zelf in staat is zijn medicatie te beheren en in te nemen. Hij bespreekt met de cliënt wat hij wel en niet zelf kan. Ook let hij goed op de volgende zaken: slingeren er medicijnen rond? Kan de cliënt de verpakking openen? Neemt hij zijn medicijnen op tijd in? Vergeet hij wel eens medicijnen?
Bron: BEM (Beheer Eigen Medicatie), IVM.

Als een cliënt het beheer en gebruik van de medicijnen (voor een deel) aan de zorgorganisatie heeft overgedragen, moeten zorgmedewerkers op het volgende letten:

  • Zijn afspraken over het medicijngebruik vastgelegd in het zorgplan?
  • Wat doet de cliënt zelf?
  • Zijn er speciale afspraken voor het toedienen?
  • Moet de zorgmedewerker aanwezig zijn wanneer de cliënt medicijnen inneemt?
  • Zijn de medicijnen voor de cliënt aanwezig (is er voldoende voorraad)?
  • Zijn het medicatieoverzicht en de toedienlijst volledig en actueel?
  • Is de aftekening bijgehouden?
  • Kunnen de medicijnen ongestoord worden klaargemaakt?
  • Zijn de medicijnen veilig en op de juiste manier opgeborgen?
  • Is de cliënt voldoende geïnformeerd over werking en bijwerking van medicijnen?

In principe is de cliënt zelf verantwoordelijk voor het beheer van zijn medicatie. Wanneer hij en ook de mantelzorg hiertoe niet in staat is, is het een taak van de zorgmedewerkers. De medewerker neemt dan het bestellen en veilig opbergen van de medicijnen over.
Alle afspraken worden in het zorgplan vastgelegd. Zorgmedewerkers zijn betrokken bij het medicatieproces vanaf stap 3, maar moeten ook bij stap 1 en 2 alert zijn en doorgeven als er iets mis gaat.

Praktijkvoorbeeld

Een cliënt in de thuiszorg gaat wel eens naar vrienden en neemt dan zijn insulinepen mee. Omdat meneer het zelf niet kan zien, vraagt hij aan de zorg om het op te draaien. De vrienden geven hem de insuline (nemen dit over van de verzorging). Is dit correct? Welke afspraken kun je hierover maken?

Stap 4: Uitzetten

Met het uitzetten van medicijnen bedoelen we het uitzetten voor meerdere momenten op een dag of in een week. Over het algemeen gebeurt dit door de apotheek. De apotheker gebruikt hiervoor een medicijnuitzetsysteem (bijvoorbeeld medicijnen voor één innamemoment in plastic zakjes op een rol, vaak bekend als Baxterrol) of een medicijndoos met vakjes voor meerdere momenten per dag of week. In uitzonderlijke gevallen zet de zorgmedewerker de medicatie uit. Dan gaat het bijvoorbeeld om losse medicatie die niet in een Baxterrol kan, zoals oog- en oordruppels, zalf, antibiotica, et cetera. Bij het uitzetten maken zorgmedewerkers regelmatig fouten. Zij moeten dan ook geconcentreerd en ongestoord kunnen werken. Uitzetten kan in dagcassettes, weekcassettes of medicijnbekers, afhankelijk van wat de cliënt handig vindt.

Voorbeelden zijn te vinden op www.hulpmiddelenwijzer.nl en www.anbo.nl/keuzewijzer/

Niet iedereen mag zomaar medicijnen uitzetten. Een aantal belangrijke voorwaarden:

  • Medicijnen uitzetten is een kritische en risicovolle handeling, waarvoor zorgmedewerkers deskundig en bekwaam moeten zijn.
  • Zorgmedewerkers moeten medicijnen uitzetten op een rustig tijdstip en in een ruimte met voldoende licht. Zij mogen daarbij niet gestoord worden.
  • Zorgmedewerkers moeten gebruikmaken van betrouwbare, actuele medicatieoverzichten.
  • Zorgmedewerkers moeten de medicijnen uitzetten op een vast tijdstip en aan de hand van medicatieopdrachten.
  • Zorgmedewerkers moeten schriftelijk vastleggen wie de medicijnen heeft uitgezet.

Voor chronische medicatie wordt meestal een geautomatiseerd uitzetsysteem gebruikt. De cliënt krijgt een medicatierol met zakjes afgeleverd. Elk zakje bevat de medicatie per innametijdstip. Deze werkwijze noemt men ook wel 'baxteren', naar het eerste automatische verpakkingssysteem van de firma Baxter. Een Baxterrol is voor een zorgorganisatie minder arbeidsintensief en foutgevoelig dan handmatige systemen, maar kent ook risico’s. Niet alle medicatie kan in de rol en wijzigingen in de medicatie zijn lastiger door te voeren; de apotheker moet de rol dan vervangen.
Zorgmedewerkers hebben een signalerende functie en bespreken problemen met de arts, apotheker en/of de leidinggevende.

Stap 5: Aanreiken

De taken van de zorgmedewerkers bij het klaarzetten en aanreiken van de medicijnen verschillen per cliënt. Afspraken hierover liggen vast in het zorgplan en de medewerker weet om welke medicijnen het gaat en wat de (bij)werking is. Actuele bijsluiters zijn opgenomen in het zorgplan.

De zorgmedewerker mag niet gestoord worden bij het klaarzetten en aanreiken van medicatie. Tips om ongestoord medicatie aan te reiken/te delen:

  • Zorg voor een ruimte waar je ongestoord  kunt werken. Zorg ook in de thuissituatie dat cliënt of anderen je niet storen.
  • Spreek met elkaar af dat een collega niet gestoord wordt tijdens de deelronde.
  • Draag geen pieper bij het delen.
  • Maak afspraken met de receptie, apothekers, artsen en paramedici over wanneer de deelrondes zijn. Alleen voor zeer dringende telefoontjes mag je gestoord worden.
  • Breng cliënten op de hoogte.
  • Zorg voor een 'niet storen'-hesje (of geel schort, of een vlag op de medicijnkar).

Controle door cliënt

De zorgmedewerker betrekt de cliënt bij de handeling. Als hij daartoe in staat is, controleert de cliënt het soort medicijn, de dosering, het tijdstip en de wijze van toediening. Hij haalt de medicijnen bij voorkeur zelf uit de oorspronkelijke verpakking of het baxterzakje. De cliënt kan alleen goed (mee) opletten als hij weet waarop hij moet letten. Ga na of hij dat inderdaad kan.

Vermalen van medicijnen

Soms moet medicatie vermalen worden. Maar niet alle medicatie mag (bij elkaar) vermalen worden. Zorgmedewerkers moeten overleggen met de arts of het is toegestaan. Als het niet kan, dan moet de arts een alternatief voorschrijven. Kijk op de bijsluiter hoe je vermalen medicatie moet geven: meestal met appelmoes en liever niet met zuivelproducten.

Op de website Oralia is meer informatie over de geschikte methode van innemen bij slikproblemen en eventuele alternatieven te vinden.

Stap 6: Toedienen of inname door cliënt zelf

Zorgmedewerkers dienen medicijnen toe bij die cliënten die dat niet zelf kunnen.
Maar voordat dat gebeurt, moeten ze de volgende gegevens controleren op juistheid:

  • identiteit van de cliënt (naam, voorletter, geboortedatum)
  • naam van het medicijn
  • sterkte
  • dosis
  • vervaldatum
  • is het geneesmiddel op de juiste wijze bewaard (bijvoorbeeld steriel of in de koelkast)?
  • toedieningstijdstip
  • toedieningswijze (oraal, anaal, gemalen, in appelmoes, injectiewijze et cetera).

Ook kijken zorgmedewerkers naar de algemene gezondheidstoestand van de cliënt. Neem bij twijfel contact op met de arts of leidinggevende.
Zorgmedewerkers zien erop toe dat de cliënt de medicijnen ook daadwerkelijk inneemt. Wanneer de cliënt het medicijn uitspuugt, bekijkt de zorgmedewerker samen met de arts hoe ze het medicijn in het vervolg het beste kunnen geven.

Dubbele controle

Om fouten te voorkomen moeten zorgmedewerkers risicovolle medicatie voor toediening twee keer controleren op de volgende vijf punten:

  1. naam medicijn
  2. tijdstip van toedienen
  3. dosering
  4. toedieningswijze
  5. naam cliënt

Op de medicatietoedienlijst staat vermeld bij welke medicatie dubbele controle nodig is. De landelijke lijst Risicovolle medicatie is hierbij het uitgangspunt. Bij medicijnen die van tevoren zijn uitgezet door de apotheker, is daar de eerste controle gedaan. De tweede controle doet de zorgmedewerker bij de toediening. Bij medicatie die niet door de apotheker is uitgezet of nog moet worden klaargemaakt voor toediening (bijvoorbeeld insuline) kan de cliënt of de mantelzorger de controle doen. Als zij hiertoe niet in staat zijn of er geen mantelzorger is, moet er een andere oplossing gevonden worden, bijvoorbeeld: controle door collega of controle per telefoon.

Kijk voor veelgestelde vragen over dubbele controle bij risicovolle medicatie op de website van zorg voor beter.

Praktijkvoorbeeld

Hoe zit het met zelfzorgmiddelen die de cliënt zelf aanschaft? Kijk voor het antwoord op de website van zorg voor beter.

Bekijk de handout Wees alert (pdf) voor andere situaties die extra alertheid vragen.

Stap 7: Registreren en aftekenen

Zorgmedewerkers zijn verantwoordelijk voor het secuur bijhouden van de toedienregistratie. Om overzicht te houden welke cliënt wanneer welke medicijnen heeft gekregen, moeten zij medicatie aftekenen.
De toedienlijst wordt afgetekend door degene die de medicijnen aan de cliënt heeft toegediend of aangereikt. Op de toedienlijst, die wordt geleverd door de apotheek, staat per cliënt vermeld op welke dag en op welk tijdstip hij welk medicijn moet krijgen. De medicijnen op de toedienlijst zijn vaak opgesplitst naar 'medicijnen in een zakje', 'medicijnen niet in een zakje' en 'zo nodig' medicijnen.

Richtlijnen voor het aftekenen (met een paraaf van de toediener):

  • medicijnen in het zakje: teken af na toediening per tijdstip per medicijn.
  • medicijnen niet in een zakje: teken af na toediening per tijdstip per medicijn.
  • 'zo nodig' medicijnen: teken af na toediening en noteer tevens het tijdstip van toediening en de dosering.

Medewerkers mogen nooit van tevoren aftekenen; er kan tijdens het toedienen nog van alles gebeuren.

Als zij niet aftekenen, weet hun collega niet of de cliënt de medicijnen inderdaad niet gehad heeft, of dat er alleen is vergeten een paraaf te zetten.
Als de cliënt de medicijnen weigert of niet kan slikken, dan moet de zorgmedewerker dit noteren op de toedienlijst. Bovendien moet hij dit rapporteren aan de leidinggevende en de arts.

Praktijkvoorbeelden

Praktijkvoorbeeld 1:

De cliënt krijgt medicatie voorgeschreven in avond, nacht of weekend en er wordt geen toedienlijst meegeleverd, wat nu? Kijk voor het antwoord op de website Zorg voor Beter.

Praktijkvoorbeeld 2:

Verpleegkundige thuiszorg: 'Teken je de medicatie niet af dan word je hierop aangesproken door een collega. Dit hebben we afgesproken met elkaar. Zo proberen we de medicatieveiligheid te verbeteren.'

Stap 8: Signaleren en rapporteren van bijwerkingen

 Zorgmedewerkers zijn vaak de eersten die zien dat er problemen zijn: de cliënt is suf, heeft uitslag, hij gedraagt zich anders of geeft aan dat hij pijn heeft of zich niet prettig voelt. Let ook op:

  • Is er sprake van zelfzorgmedicatie?
  • Gebruikt de cliënt medicatie volgens voorschrift?
  • Is er sprake van bijwerkingen?
  • Is de cliënt de afgelopen periode gevallen?
  • Is de cliënt tevreden met de huidige medicatie?
  • Zijn er problemen met gebruik of beheer van de medicatie?

Uiteraard rapporteren zorgmedewerkers de signalen in het zorgplan en bespreken deze met de arts.

Specifieke bijwerkingen

Als zorgmedewerkers op specifieke bijwerkingen moeten letten, moet de arts dat duidelijk in het zorgdossier zetten. Daarnaast zijn zorgmedewerkers ook zelf verantwoordelijk voor het signaleren van bijwerkingen. Informatie hierover staat in de bijsluiter, het Farmacotherapeutisch Kompas, op www.apotheek.nl of op de app Appotheek.

Delier

Deze acute verwardheid komt veel voor in de zorg en heeft altijd een lichamelijke oorzaak. Het kan een reactie zijn op medicatie, lichamelijke ziekte of koorts. Een delier is een bewustzijnsverandering die meestal snel
ontstaat (binnen enkele uren tot dagen) en de mate waarin kan sterk wisselen. De symptomen zijn angst, onrust, verandering in gedrag, wisselend bewustzijn, moeite met concentratie en hallucinaties. Neem in dat geval direct contact op met een arts.

Melden bijwerkingen

Op www.lareb.nl kunnen bijwerkingen van medicijnen worden gemeld. Artsen, andere zorgverleners, apothekers en cliënten kunnen een melding doen.

Praktijkvoorbeeld

Mevrouw Jetty van de Plas is een oudere dame die met antibiotica gestart is vanwege een blaasontsteking. Ze heeft sinds de start van de kuur last van jeukende rode bultjes. Aangenomen werd dat het om warmte-uitslag ging. De verpleegkundige ondernam geen actie. Toen mevrouw er last van bleef houden, is er een arts gebeld. Het bleek een bijwerking te zijn van de antibioticakuur.

Stap 9: Evaluatie van de behandeling

De arts is verantwoordelijk voor de evaluatie van het medicijngebruik. Hiervoor heeft hij natuurlijk informatie nodig. In principe is de cliënt zelf verantwoordelijk voor het informeren van de arts.
Maar niet iedere cliënt kan dit goed, bijvoorbeeld bij dementie of een verstandelijke beperking. Zorgmedewerkers hebben dan een belangrijke rol in het nagaan van de werking en het signaleren van bijwerkingen. Zij moeten aan de cliënt vragen of de behandeling aanslaat (is de hoofdpijn over, geen pijn meer bij plassen, niet meer duizelig?) en dit rapporteren in het zorgplan en aan de behandelend arts.

Periodieke medicatiebeoordelingen (PMB) bij polyfarmacie

Omdat ouderen vaak meerdere aandoeningen tegelijkertijd hebben, komt het regelmatig voor dat zij vijf of meer chronische geneesmiddelen gebruiken. Dit heet polyfarmacie. Vooral bij deze cliënten moet de arts, de apotheker en de zorgmedewerker regelmatig kritisch naar de medicatie kijken en het gebruik en de werking evalueren. Zorgmedewerkers vertegenwoordigen de cliënt bij zo’n periodieke medicatiebeoordeling. Zij overleggen met de cliënt of vertegenwoordiger en brengen de problemen ter sprake die de cliënt met de medicijnen heeft.

Stap 10: Overdracht

De woon-leefsituatie van cliënten verandert nog wel eens. De cliënt verhuist van thuis naar een zorgorganisatie of wordt tijdelijk opgenomen in het ziekenhuis. In dit soort gevallen is het uiterst belangrijk om de medicatiegegevens goed over te dragen.
Sinds januari 2011 is de richtlijn Overdracht van medicatiegegevens in de keten van kracht. In deze richtlijn staat wie verantwoordelijk is voor het overdragen van gegevens over het medicijngebruik als een cliënt naar een andere zorginstelling gaat. In de richtlijn staan drie basisafspraken:

  • Bij elk contact met een voorschrijver is altijd een actueel medicatieoverzicht beschikbaar waarop het medisch handelen wordt gebaseerd.
  • Bij een spoedopname is zeker binnen 24 uur een actueel medicatieoverzicht beschikbaar.
  • Bij overdracht naar de volgende schakel is zeker binnen 24 uur een actueel medicatieoverzicht beschikbaar.

De richtlijn schrijft ook voor dat bij elke overdrachtssituatie bekend moet zijn wat een cliënt daadwerkelijk aan medicatie heeft gebruikt over (minimaal) de afgelopen drie maanden.
De zorgmedewerker zorgt voor overdracht van medicatiegegevens volgens de afspraken in de zorgorganisatie.

Praktijkvoorbeeld

De heer Johan de Vries kwam uit het revalidatiecentrum, maar het was niet duidelijk of hij zijn antistolling had gebruikt en wat de waardes waren. Bij navraag bij het revalidatiecentrum bleek hij al uit de computer te zijn verwijderd, waardoor er niet duidelijk was welke medicatie hij gehad had. Hierdoor moest hij opnieuw geprikt worden om de stolling te bepalen.

Hieronder vind je de opdrachten bij dit onderwerp. We zijn benieuwd naar je ervaringen met de opdrachten. We horen graag wat je ermee gedaan hebt.

Je kunt foto's, verhalen en filmpjes naar ons opsturen. Op deze plek in de kennisbundel gaan we de mogelijkheid bieden om je ervaringen te delen met andere docenten.

Via onderstaande knop kun je contact met ons opnemen.

Stuur je eigen materiaal in >

Casus (bij stap 3): Laaggeletterdheid migranten

Zorgmedewerker Esther helpt de Afghaanse Yasir Suleimans. Esther vraagt of meneer weet hoe hij zijn medicijnen moet innemen en wijst hem op de bijsluiter. Yasir knikt. Dat hij niet kan lezen en schrijven, hoeft niet iedereen te weten. Eenmaal thuis weet hij niet goed wat hij moet doen; hij neemt alle medicijnen tegelijk in.

Wat had Esther beter kunnen doen?

Voorbeelden van antwoorden:

  • Esther had een open vraag kunnen stellen: wat moet u doen met uw medicijnen? Op die manier kan hij zelf vertellen wat hij moet doen en kan Esther horen of meneer het goed begrepen heeft.
  • Esther had met behulp van een week- of dagsysteem kunnen laten zien hoe vaak en welke medicijnen ingenomen dienen te worden. Ook had ze bij de apotheek kunnen informeren of zij de cliënt kunnen informeren, bijvoorbeeld met beeldmateriaal.
  • Als hij niet begrepen had wat Esther bedoelde, had Esther gebruik kunnen maken van voorlichting in zijn taal of van een tolk.

Casus (bij stap 3): Gebruik van een tolk

Zorgmedewerker Maaike heeft een intakegesprek met de Poolse vrouw Blanka Kowalski. Ook het medicijngebruik komt tijdens het gesprek aan bod. Het gesprek gaat moeizaam omdat mevrouw het Nederlands niet goed beheerst. Daarom bellen ze een vriendin van haar die beter Nederlands spreekt en Maaike geeft de informatie aan haar door. De vriendin vertaalt de informatie telefonisch.

  • Vind je dit een goede aanpak?
  • Wat zou er mis kunnen gaan?
  • Hoe kan Maaike checken of mevrouw de informatie goed heeft doorgekregen en begrepen?

Voorbeelden van antwoorden:

  • Maaike had mevrouw vooraf kunnen vragen of haar vriendin aanwezig kon zijn bij het gesprek, zodat de informatie niet telefonisch doorgegeven hoeft te worden.
  • Maaike kan beeldmateriaal of voorlichtingsmateriaal in het Pools gebruiken.

Casus (bij stap 5): Niet storen tijdens het medicijnen delen

Medewerkers die zich bezighouden met medicatie delen, hebben de storingen tijdens het delen gemeten door te turven. Daar hebben ze ook bij vermeld wat voor soort storingen het waren. Hierdoor kwamen ze er achter dat ze zich vaak zelf bemoeien met discussies met collega’s. Men laat zichzelf dus afleiden.

Welke oplossingen kan dit team bedenken om dit te voorkomen?

De oplossingen van dit team zijn:

  • Een plek creëren waar men rustig kan werken.
  • De omgeving en (para)medici op de hoogte brengen en vragen om niet te storen bij het delen van medicatie.
  • Collega’s laten degene die medicatie deelt dat in alle rust doen.
  • 'Niet-storen'-hesjes gebruiken waardoor het bezoek hen ook niet stoort.

Bron: Hoofd zorg & welzijn, Verpleeghuis in Gelderland.

Casus (bij stap 5): Ongestoord werken tijdens aanreiken van medicatie

Anja werkt op de een afdeling in een verzorgingshuis. Ze staat op het punt de
medicijnen uit te delen aan haar cliënten. Op dat moment heeft ze samen met
een nauwelijks ingewerkte leerling-zorgmedewerker de zorg voor zestien cliënten. Verder draagt ze de afdelingstelefoon bij zich. Helaas kan ze niet met haar medicijnkar de zaal op, omdat de etenskar in de weg staat. Na een half uur zijn de medicijnen uitgedeeld en is Anja vierendertig keer heen en weer
gelopen tussen de medicijnkar, haar cliënten en alle overige werkzaamheden. Dat Anja geen fouten heeft gemaakt is een wonder.

Wat kunnen Anja en haar team doen om het medicatieproces veiliger te laten verlopen?

Voorbeelden van antwoorden zijn:

  • Een hesje aandoen waarop staat: niet storen.
  • Telefooncentrale vragen het komende (half) uur geen telefoontjes door te verbinden.
  • Pieper aan de leerling geven en haar vragen alleen te storen in dringende gevallen.
  • Zorgen dat ze met haar medicijnkar op de zaal kan gaan staan.

Bron: vrij naar een casus uit het boek Patiëntveiligheid voor verpleegkundigen.

Casus (bij stap 6): Dubbele controle (2)

Medewerkers bij Dimence hebben een speciale map samengesteld om de kennis over bijwerkingen van minder voorkomende medicatie te vergroten. Dat is niet alleen handig voor verpleegkundigen, maar nadrukkelijk ook voor cliënten. Zo kunnen zij zelf meedenken over hun medicatie. "Dat past in onze herstelbenadering", benadrukt de projectleider. "Zo krijgen cliënten meer verantwoordelijkheid bij het innemen van de juiste medicatie. Zij vormen immers de laatste in de rij die een controle kan uitvoeren voordat de medicatie wordt ingenomen."

Weten jouw cliënten wat ze slikken?

Vraag het eens. Zo niet, zoek het op en vertel het aan de cliënt.

Casus (bij stap 6): gedragscode

Uit het verhaal van Thuiszorg Noordwest Twente blijkt dat een gedragscode kan bijdragen aan een veilige meldcultuur. "In ons MIC-systeem waren nauwelijks meldingen van medicatiefouten", vertelt een leidinggevende. "Er gingen wel dingen fout, maar blijkbaar werd een melding ervaren als een nederlaag. Ook voelden medewerkers het melden van een incident als verraad. We hebben een gedragscode gemaakt en sinds die tijd melden we veel meer. Een fout of bijna-fout maakt immers duidelijk dat iets of iemand niet goed werkt. Dat is een kans op verbetering; het MIC wordt nu meer gezien als verbetersysteem."

Wat zou je in een gedragscode kunnen zetten?

De gedragscode van Thuiszorg Noordwest Twente ziet er zo uit:

  • Wij vinden het belangrijk dat fouten en bijna-fouten gemeld worden, zodat wij hiervan leren en de zorg nog veiliger wordt.
  • We blijven zoeken naar wegen en middelen waarmee we zorgvuldig handelen kunnen waarborgen.
  • We spreken elkaar aan op fouten en het belang van melden, op professionele wijze volgens de regels van de feedback.
  • Wij spreken elkaar ook aan op het niet-aanspreken van elkaar.
  • Wij nemen verantwoordelijkheid voor onze fouten, bijna-fouten en voor meldingen hiervan.

Bron: boekje Slik geen medicatiefouten.

Casus (bij stap 9): Jaarlijkse evaluatie

"Het is een grote vooruitgang dat we alle medicijnen nu jaarlijks controleren. Soms ging er weleens twee jaar overheen, terwijl er in die tijd best wijzigingen in het medicatiegebruik kunnen plaatsvinden. Een cliënt had vier zalfjes voor haar voeten. We hebben toen in overleg met de arts besloten alleen nog vaseline te smeren. Daarna hebben we gekeken: wat heeft ze daarbij nog nodig? Dat bleek niets te zijn. Zo’n medicatiebeoordeling is een goed moment om daar weer even bij stil te staan. Een andere cliënt kreeg vier maal per dag medicatie. Toen hebben we ons afgevraagd of dat nu echt nodig was of dat het terug kon naar twee momenten. We hebben dit voorgelegd aan de arts en hij vond het goed. Het bleek prima te gaan: minder belastend voor de cliënt en de medicijnen hoeven niet meer mee naar de dagbesteding."

Bron: boekje Zicht op medicatie, medicatieveiligheid en polyfarmacie.

Casus: Joop Roest, cliënt met het syndroom van Down

Joop Roest (55 jaar), is geboren met syndroom van Down. Hij lijkt verbaal heel sterk, maar kan soms niet duidelijk aangeven wat hij voelt. Hij kan driftig reageren bij zaken die hij niet begrijpt. Dit uit zich dan vaak door slaan, schoppen of spullen kapot maken. Mogelijk heeft een ook een stoornis uit het autismespectrum. Vorige week is hij gestart met een cholesterolverlagend middel (simvastatine). Hij vindt dit alles erg spannend. Bij elke inname van simvastatine vraagt hij: "Word ik hier beter van?" Gisteren heeft hij drie keer iets kapot gemaakt. Op de bijsluiter heb je gelezen dat dit middel vervelende bijwerkingen kan geven.

  • Wat kunnen de bijwerkingen zijn van simvastatine?
  • Beschrijf in vijf zinnen welke dilemma’s je ziet. 
  • Wat ga je doen? 
  • Beschrijf hoe jij de mogelijke bijwerkingen van de cholesterolverlager gaat signaleren.

Casus: Pieter Vermeer, cliënt met een meervoudige beperking

Pieter Vermeer (25 jaar) heeft een ernstige meervoudige beperking, met een ontwikkelingsniveau van 2 jaar. Hij is jaren geleden aangereden door een auto. Bij die aanrijding liep Pieter een ernstig neurotrauma op. Hij kan niet actief communiceren met zijn omgeving. Hij is immobiel, met verhoogde spierspanning in bovenste en onderste ledematen. Hij kan slechts kortdurend in een aangepaste rolstoel zitten, wordt gevoed via PEG-sonde. Pieter is zeer gevoelig op zijn maag en heeft regelmatig last van misselijkheid of braken. Hij gebruikt 3x daags anti-epileptica, 2x daags maagbeschermer, 2x daags 1 zakje laxantia en 1x per week vitamine.

Vragen:

  • Welke observatie punten zijn belangrijk rondom de toediening van medicatie via de PEG-sonde?
  • Waar moet je rekening mee houden als je medicatie geeft via de PEG-sonde en de cliënt is gevoelig voor misselijkheid/braken? 
  • Pieter braakt 10 minuten na het toedienen van de medicatie. Beschrijf welke stappen je onderneemt (beschrijf minstens 4 stappen).

Vorige week is Pieter opgenomen in het ziekenhuis i.v.m. een longontsteking. Hij is vandaag thuis gekomen en moet de antibiotica kuur verder afmaken.

  • Wat zijn de observatie punten rondom antibiotica?
  • Bij welke klachten overleg je direct met een arts?

Casus: Rebecca Algera, cliënt met een matig verstandelijke beperking

Rebecca Algera (65 jaar) heeft een matig verstandelijke beperking, zit in een rolstoel. Heeft diabetes mellitus type 2, waarbij toediening van insuline noodzakelijk is geworden. Naast de insuline (2x daags novomix 30/70), gebruikt ze ook: metformine 2x daags 500mg, enalapril 1x daags 5mg, 1x daags simvastatine 40 mg.

  • Beschrijf waarom ze gebruikt enalapril en simvastatine gebruikt in relatie tot haar diabetes mellitus.
  • Wat zijn de drie belangrijkste behandelopties voor diabetes mellitus? 
  • Bij mensen met een verstandelijke beperking willen we insulinetoediening zo lang mogelijk uitstellen. Beschrijf wat de impact is voor een VG-cliënt als die moet starten met insuline.
  • Zoek op wat novomix voor een soort insuline is. 
  • Noem vijf aandachtspunten m.b.t het toedienen van insuline.

Mevrouw houdt van lekker eten. Tijdens bezoeken aan haar familie krijgt ze veel eten en drinken, ze geniet daar erg van. Bij thuiskomst heeft ze vaak een glucosewaarde van 15 of hoger.

  • Wat is de oorzaak? 
  • Wat kun je praktisch doen om een hoge glucose te doen laten dalen.
  • Hoge glucosewaarden zijn een terugkerend probleem bij haar. Wat kun jij als begeleider hieraan doen?

Casus: Willy van Schaijk, cliënt met een lichte verstandelijke beperking

Willy van Schaijk (48 jaar) kreeg tijdens de geboorte zuurstofgebrek en heeft daardoor een lichte verstandelijke beperking. Hij houdt van lekker eten, vindt gezond eten en leven minder belangrijk. Rookt en drinkt veel in het weekend. De laatste weken klaagt hij over buikpijn. Hij is bij de arts verstandelijk gehandicaptenzorg (AVG) geweest. Zij denkt dat hij last heeft van obstipatie. Willy start met 2x per dag 1 zakje movicolon.

  • Wat is het werkingsmechanisme van movicolon?
  • Noem drie (niet medicamenteuze) adviezen die ook belangrijk zijn om de obstipatie te verminderen.
  • Beschrijf je rol als begeleider rondom de behandeling van obstipatie: waar let je op? wat bespreek je met de cliënt? Neem hierin mee dat Willy het een vervelend onderwerp vindt om met je te bespreken.

De heer geeft tijdens een gesprek aan dat hij niet altijd de beker met movicolon leegdrinkt, omdat hij het afschuwelijk vindt smaken.

  • Wat kun je doen? Hoe pak je dit aan?

Binnen de VG zie je soms dat cliënten (vooral mensen met een lichtverstandelijke beperking) niet alle medicatie trouw innemen.

  • Beschrijf in minimaal vijf zinnen wat jouw rol is t.a.v. therapietrouw en medicatie.

Toedienen van medicijnen en hoofdgroepen

Medicijnen kunnen op verschillende manieren worden toegediend. Er wordt altijd gekeken wat de beste toedieningsvorm is, zowel voor opname van de geneesmiddelen als voor het gebruiksgemak. Weet wel dat toedienen en aanreiken van medicatie risicovolle handelingen zijn. De manieren van toedienen van medicatie kunnen verschillend zijn; je kunt ze globaal indelen in 2 groepen:

  • Enteraal
  • Parenteraal

Opdracht:

  1. Wat zijn medicijnen? Ga op zoek naar een definitie in een studieboek of op internet.
  2. Wat wordt bedoeld met 'enteraal' en met 'parenteraal?' Geef in eigen woorden een definitie en werk beide groepen zo volledig mogelijk uit.

Van voorschrijven tot aanreiken

Medicijnen werden vroeger uitgezet door de verpleging of verzorging zelf. Vaak waren hier twee personen bij betrokken. Deze methode was erg arbeidsintensief en ondanks de controle kwamen er fouten voor. Tegenwoordig wordt dit vaak machinaal gedaan: een geautomatiseerd geneesmiddelendistributiesysteem (GDS). Een bekend systeem is dat van Baxter. Zo’n geautomatiseerd systeem is minder arbeidsintensief en kent minder fouten.

Opdracht:

Zoek op en schrijf uit hoe het proces eruit ziet vanaf het voorschrijven van het medicijn door de arts tot aan het aanreiken van het medicijn aan de zorgvrager. Welke stappen kom je daarbij tegen?

Werking en bijwerkingen

Voordat je medicijnen geeft is het handig als je weet wat je geeft, waarom je het geeft en wat de mogelijke bijwerkingen zijn. Een bijwerking is een schadelijke, niet-bedoelde werking van een geneesmiddel. Het komt voor dat de zorgvrager of zijn naaste(n) wil weten waar het medicijn voor dient. Het komt dan professioneel over als dit kunt vertellen en advies en/ of voorlichting erover kunt geven.

Opdracht:

Kies een zorgvrager uit waarvan jij het leuk vindt om meer over de medicijnen te weten te komen. Maak een keuze uit minimaal vijf medicijnen.

  1. Ga na waar het voor dient (indicatie), wat de werking in het algemeen is en welke bijwerkingen je kunt verwachten. Gebruik daarvoor het farmaceutisch kompas, het repertorium, de website www.apotheek.nl of de app FK.
  2. Benoem waarom deze zorgvrager deze medicatie krijgt?

Protocollen en checklists

Een hot item tegenwoordig is medicatieveiligheid. Er zijn diverse protocollen en checklists te vinden op de afdelingen binnen de instellingen. Vorm een subgroepje van ongeveer vier personen. Bespreek met elkaar wat er allemaal in een protocol of checklist zou moeten staan. Schrijf je bevindingen op een flap-over. Ga vervolgens op zoek naar deze protocollen en/ of checklists. Welke overeenkomsten ben je tegen gekomen? Wat zijn de verschillen?

Injecteren

Een toedieningsvorm voor medicijnen is de injectie. Er zijn diverse vormen. De meest voorkomende zijn de subcutaan en intramusculair. Om dat goed te kunnen doen heb je verschillende materialen nodig.

Opdracht:

Ga op zoek naar een protocol over subcutaan en intramusculair injecteren.

  • Welke materialen worden genoemd in het protocol?
  • Waar dienen deze voor?
  • Wat zijn de specifieke aandachtspunten?

Zalven en crèmes

Zalven en crèmes worden vaak voorgeschreven door een (huis)arts. Het nadeel is dat crèmes en zalven beperkt houdbaar zijn.

Hoe lang mag je een crème of zalf gebruiken, nadat je hebt opengemaakt en voorzien van een datum?

Deel deze pagina Facebook Twitter LinkedIn E-mail

Sluit pop-up

Verpleegkundige GGZ

'Ik las de medicatielijst voor aan de arts: Lorazepam 20 mg. De arts vroeg voorzichtig: "Hoe groot is deze meneer?" "Normaal postuur", antwoordde ik. Bleek dat die dosis sterk genoeg was om een paard te drogeren. In de medicatielijst had moeten staan: Temazepam 20 mg of Lorazepam 2,5 mg.'

Sluit pop-up

Cindy, verpleegkundige

'Ik zorg ervoor dat de cliënt de juiste medicatie krijgt in de juiste dosis. En ik heb ook een signalerende functie voor eventuele bijwerkingen.'

https://www.youtube.com/watch?v=J1-IIMr9xEU