Kennisbundel Verward in de wijk

Vilans

Oorzaken van verward gedrag

Het is belangrijk dat je als zorgprofessional de oorzaken van verward gedrag kent en herkent. De oorzaak van de verwardheid of het onbegrepen gedrag bepaalt jouw aanpak of behandeling van de situatie. In dit hoofdstuk lees je over een aantal ziektebeelden die verward gedrag kunnen veroorzaken. Let op: het is geen volledig overzicht!

Ook verwarde mensen buiten het werkveld van de psychiatie.

‘Vroeger koos je voor de psychiatrie als je met verwarde mensen wilde werken, nu kom je ze in elk werkveld tegen. Het is geen keuze meer. Je moet als zorgprofessional met verward gedrag kunnen omgaan.’ (hulpverlener)

Een droom waar je niet uit kan

‘Het is alsof je in een droom zit, waarvan je je soms wel bewust bent, maar waar je niet uit kunt stappen.’ (Tim, maakte een psychose door)

Schizofrenie is een complexe psychiatrische stoornis met vaak ernstige psychische en sociale gevolgen (APA 2002, http://www.psychiatry.org/schizophrenia). De DSM-5-classificatie spreekt van ‘stoornissen in het schizofreniespectrum’. Schizofrenie openbaart zich meestal voor het eerst in de leeftijd van 16 tot 35 jaar. Kenmerkend in bijna alle gevallen is het optreden van psychoses. Dit zijn perioden waarin het contact met de realiteit ernstig is verstoord. Iemand die een psychose doormaakt heeft niet altijd schizofrenie. Daar is pas sprake van als de psychose lang duurt of vaker optreedt en iemand in de tussenliggende tijd niet goed functioneert. Niet iedereen heeft dezelfde symptomen of ervaart dezelfde problemen.

Schizofrenie

DSM-5

DSM staat voor Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Het is een classificatiesysteem waarin internationale afspraken zijn gemaakt over welke criteria van toepassing zijn op een bepaalde psychische stoornis op basis van (nieuwe) wetenschappelijke inzichten.

In DSM-5 wordt het schizofreniespectrum en andere psychotische stoornissen onderverdeeld in de volgende stoornissen:

  • Schizo-typische (persoonlijkheids)stoornis
  • Waanstoornis en katatonie
  • Kortdurende psychotische stoornis
  • Schizo-freniforme stoornis en schizofrenie
  • Schizo-affectieve stoornis
  • Psychotische stoornis door een middel / medicatie
  • Psychotische stoornis door een somatische aandoening
  • Katatonie bij een andere psychische stoornis
  • Katatone stoornis door een somatische aandoening
  • Ongespecificeerde katatonie
  • Andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis
  • Ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis

Symptomen

Bij schizofrenie zijn er 2 soorten symptomen, positieve en negatieve. Positieve symptomen komen bij mensen zonder schizofrenie niet voor. Dit zijn psychotische verschijnselen als hallucinaties, wanen en verward denken. Negatieve symptomen heten zo, omdat er iets ontbreekt wat er eerst wel was, bijvoorbeeld vervlakking van gevoelens, het ontbreken van energie, weinig initiatief nemen, terugtrekken uit sociale contacten en minder concentratievermogen. Terwijl positieve symptomen meestal goed reageren op behandeling, is dat voor negatieve symptomen niet het geval.

Bij schizofrenie zien we in veel gevallen een achteruitgang in functioneren, zowel op professioneel als op sociaal gebied. Een derde deel van de patiënten met schizofrenie herstelt na de eerste psychose tamelijk goed. Zij herstellen vlot, ontwikkelen geen of weinig negatieve symptomen en blijven lange tijd psychosevrij. Het grootste deel van de patiënten ervaart een achteruitgang in functioneren; zo heeft uiteindelijk slechts een klein deel van de schizofreniepatiënten een vaste betaalde baan.

Symptomen van schizofrenie in de DSM-classificatie

  • Wanen
  • Hallucinaties
  • Onsamenhangende spraak
  • Ernstig chaotisch of katatoon gedrag
  • Vlakke emoties, gedachten of spraakarmoede of apathie
  • Verminderd functioneren in bijvoorbeeld werk, relatie en zelfzorg
  • Symptomen zijn tenminste 6 maanden ononderbroken aanwezig

Oorzaken schizofrenie

Schizofrenie komt door een verkeerde opvoeding, dachten ze vroeger, maar dat is inmiddels achterhaald. Toch zijn wetenschappers er nog niet uit wat precies de oorzaak is van schizofrenie. Zowel erfelijke aanleg als omgevingsfactoren spelen een rol.

De kwetsbaarheid voor schizofrenie is grotendeels genetisch bepaald en dus al bij de geboorte aanwezig. Een stoornis in bepaalde chemische stoffen in de hersenen zorgt voor de verstoorde verwerking van informatie. Onderzoeken hebben ook veranderingen aangetoond in de hersenen van mensen met schizofrenie. Maar of iemand met een aanleg de ziekte ook echt krijgt, hangt af van het verloop van de rest van zijn leven. Hoe meer blootstelling aan stress, drugs en andere omgevingsfactoren, hoe groter de kans dat de schizofrenie zich zal ontwikkelen.

Wat is een psychose?

Een psychose is een psychiatrisch toestandsbeeld waarbij iemand gedurende een bepaalde tijd het contact met de werkelijkheid geheel of gedeeltelijk kwijt is. Bij een psychose kunnen verschillende symptomen optreden:

  • gevoelens van wantrouwen (wanen);
  • vijandige stemmen (hallucinaties);
  • stemmingswisselingen: periodes met sombere, trage of depressieve gevoelens afgewisseld door periodes met abnormaal uitgelaten en hyperactief gedrag (manisch);
  • onvoldoende motivatie om dagelijkse taken uit te voeren (motivatieproblemen);
  • gebrek aan aandacht en concentratie, minder goed kunnen plannen en leren (cognitieproblemen).

Deze mix van symptomen ziet er bij iedereen anders uit.

Bij een volle psychose beheersen psychotische ervaringen iemands leven zo erg dat hij in het dagelijks leven niet (goed) meer kan functioneren. Hij kan dan geen onderscheid meer maken tussen waan en werkelijkheid. Het botsen van verschillende werkelijkheden is vaak heel verwarrend en kan tot vervelende conflicten leiden.

Tip:
Bekijk het filmpje: Wat is een psychose nou eigenlijk?
https://www.youtube.com/watch?v=Pi-Vu5KeUCI

Symptomen psychose

Een psychose begint vaak met niet-specifieke klachten. Denk aan verandering van gedrag, geen interesse meer in sociale contacten en minder actief zijn. Daarna kan er een fase komen met achterdocht en hallucinaties waarbij mensen niet meer helder kunnen denken. In het voorstadium van een psychose zie je vaak klachten als:

  •  Steeds minder aandacht en concentratie
  • Afnemende motivatie
  • Slaapstoornissen
  • Angst
  • Prikkelbaarheid
  • Minder helder kunnen nadenken
  • Sociaal terugtrekken
  • Achterdochtige ideeën
  • Bijzondere zaken waarnemen
  • Achteruitgang in het functioneren

Deze symptomen kunnen vanzelf verdwijnen. Ze kunnen ook overgaan naar een psychose. Als dat zo is, dan zie je vier soorten positieve symptomen:

  1. Hallucinaties: een waarneming zonder een externe prikkel. Er zijn gezichts-, gehoors-, gevoels-, smaak- en reukhallucinaties.
  2. Wanen: ideeën of overtuigingen die totaal niet kloppen met algemeen geaccepteerde ideeën of opvattingen. Denk bijvoorbeeld aan een grootheidswaan, betrekkingswaan of achtervolgingswaan.
  3. Desorganisatie: geen orde kunnen aanbrengen in het denken.
  4. Katatonie: situatie met bijvoorbeeld specifieke bewegingsstoornissen, zoals overbeweeglijkheid.
    Naast positieve zijn er bij een psychose ook negatieve symptomen als initiatiefverlies, apathie en vervlakking van het gevoel.

Kijk voor meer informatie op de volgende websites:

Behandeling van een psychose

In de acute fase van een psychose zet een arts of psychiater standaard antipsychotica in. In de vervolgfase speelt naast behandeling met medicatie ook psychotherapie een rol.
Het belangrijkste doel van antipsychotica is het tegengaan van de symptomen van een psychose. Er zijn 2 categorieën van deze groep geneesmiddelen, ingedeeld naar hun werking:

  1. Klassieke antipsychotica zoals chloorpromazine, haloperidol, broomperidol, perfenazine, pimozide, flufenazine, zuclopentixol. Werking: voornamelijk blokkeren van de dopaminereceptoren in de hersenen.
  2. Atypische antipsychotica zoals risperidon, quetiapine, olanzapine, clozapine, sulpiride, aripiprazol. Werking: blokkeren van bepaalde serotinereceptoren.

Wat zijn de bijwerkingen van antipsychotica?

Bij atypische antipsychotica is het risico dat EPS (extra piramidal syndrome) optreedt veel kleiner dan bij klassieke antipsychotica. EPS uit zich vaak in de vorm van spierstijfheid, acathisie, niet stil kunnen blijven zitten, tremor en andere ongewenste spiertrekkingen. Deze verschijnselen heten ook wel parkinsonisme-achtige bijwerkingen. De symptomen verdwijnen meestal als de medicatie stopt. Bij langdurig gebruik kunnen de EPS overgaan in parkinsonisme en tardieve dyskinesie. Dit is niet meer terug te draaien.
Naast problemen met het bewegingsapparaat veroorzaken antipsychotica vaak ingrijpende gedragsveranderingen zoals indifferentie en emotionele vervlakking en afstomping, ook wel ‘zombiegedrag’ genoemd. Gebruikers van antipsychotica die roken hebben vaak de neiging meer te gaan roken of weer te gaan roken als ze daar eerder mee gestopt waren. Nicotine is een acetylcholine-agonist die de productie van dopamine en noradrenaline in de hersenen stimuleert, het onderdrukt daardoor de werking van antipsychotica. Bovendien hebben gebruikers van antipsychotica vaak de neiging veel koffie te drinken en te veel en te zoet te gaan eten.
Bijwerkingen van klassieke antipsychotica verschillen van de atypische. Zo veroorzaken de atypische middelen waarschijnlijk vaker gewichtstoename dan de klassieke middelen. De atypische middelen veroorzaken minder bewegingsstoornissen zoals tardieve dyskinesie.

Film Moet ik die antipsychotica nemen? van Psychosenet

https://www.youtube.com/watch?v=E72W-eFEbVg

Naasten betrekken bij de zorg

Om af te spreken wat de rol is van naasten van mensen met schizofrenie of een psychose, is er de triadekaart. Hiermee kunnen naasten, cliënt en hulpverleners met elkaar bespreken wat ieders betrokkenheid is bij de zorg. Ypsilon, een organisatie voor de belangen van mensen met schizofrenie of een psychose en hun naasten, ontwikkelde de triadekaart.

Dementie

Bij iemand met dementie kunnen de hersenen informatie niet goed verwerken. De verzamelnaam dementie omvat ruim vijftig ziektes, de bekendste is de ziekte van Alzheimer. Dementie is een syndroom, dus een combinatie van symptomen.

In een kennisbundel rondom verward gedrag kan het thema dementie niet ontbreken. We behandelen het thema hier echter kort omdat er al heel veel kennis te vinden is over dementie en de zorg en ondersteuning aan dementerenden en hun mantelzorgers.

Zenuwcellen

Wat gebeurt er precies in de hersenen bij dementie? De zenuwcellen of de verbindingen ertussen gaan kapot of werken niet goed meer. Daardoor gaan de hersenen steeds verder achteruit. Dat proces kan heel snel gaan, maar het kan ook zijn dat iemand nog jarenlang redelijk normaal leeft. Iemand met dementie raakt uiteindelijk steeds meer verzwakt en sterft door een ziekte of infectie of doordat hij niet meer kan slikken.

Leeftijd en dementie

Hoe ouder iemand is, hoe groter de kans dat hij dementie krijgt. Tussen 60 en 65 jaar heeft minder dan 1 procent van de mensen dementie. Boven de 90 jaar is dat gestegen naar meer dan 40 procent. Leeftijd is dus een belangrijke risicofactor. Daarnaast kunnen erfelijke factoren en bepaalde leefstijlgewoonten zoals roken een rol spelen.

De kans dat iemand dementie krijgt is een op de vijf. En bij vrouwen is dat een op de drie. De verwachting is dat het aantal mensen met dementie enorm zal toenemen doordat mensen steeds ouder worden: ruim een half miljoen mensen in 2040. Niet alleen ouderen krijgen dementie. Ongeveer 12.000 mensen in Nederland onder de 65 jaar hebben dementie.

Wat merk je van dementie?

Iemand met beginnende dementie heeft eerst vaak moeite met zijn geheugen. In een volgende fase komen daar problemen met denken en taal of veranderingen in zijn karakter en gedrag bij. Hij krijgt steeds meer moeite met de dagelijkse handelingen. Iemand met dementie heeft steeds meer hulp nodig van anderen.

Behandeling

Voor dementie bestaan nog geen geneesmiddelen. We kunnen de ziekte wel vertragen met medicijnen. Wereldwijd zoeken onderzoekers naar oorzaken, preventiemogelijkheden en behandeling. In Nederland gebeurt dat in de Alzheimer Centra.
Veel voorkomende vormen van dementie zijn:

  • ziekte van Alzheimer
  • vasculaire dementie
  • frontotemporale dementie (FTD)
  • Lewy body dementie

Wil je zelf ervaren hoe het is om dementie te hebben?

Kun je je voorstellen dat je niet meer weet hoe je koffie moet zetten of hoe je je aan moet kleden? In de dementiesimulator van Into D’mentia kun je je als gezond mens inleven in iemand met dementie. Nuttig, want het zorgt voor meer begrip voor mensen met dementie. Bekijk deze video over de dementiesimulator. https://www.youtube.com/watch?v=VzdUmwRJ18I

Meer informatie over dementie

Persoonlijkheidsstoornissen

Wat is het?

Persoonlijkheidsstoornissen zijn de meest voorkomende psychische aandoeningen. Kenmerkend is een star en duurzaam patroon van gedachten, gevoelens en gedragingen dat duidelijk afwijkt van wat gebruikelijk is in de omgeving van de persoon met een persoonlijkheidsstoornis.
Mensen met een persoonlijkheidsstoornis kunnen hun gedrag vaak moeilijk aanpassen aan wisselende omstandigheden. Daardoor ontstaan grote en steeds terugkerende problemen in relaties, werk en het sociale leven. Het lukt ze niet om flexibel om te gaan met wat er in het dagelijks leven gebeurt. Ze zien zichzelf en de omgeving op een vervormde manier. Het beleven en uiten van gevoelens is vaak verstoord, zij hebben bijvoorbeeld sterk wisselende of te intense emoties. Hierbij komt dat ze vaak problemen hebben bij het beheersen van hun eigen impulsen. Mensen met een persoonlijkheidsstoornis ervaren moeilijkheden in contact met anderen en lopen vaak vast op verschillende terreinen van hun leven.

Hoe vaak komt het voor?

Ongeveer 5 tot 10% van de bevolking krijgt in zijn leven te maken met een persoonlijkheidsstoornis. De meest voorkomende persoonlijkheidsstoornissen zijn:

  • borderline persoonlijkheidsstoornis
  • vermijdende persoonlijkheidsstoornis
  • andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornissen

Hoe een persoonlijkheidsstoornis ontstaat en zich ontwikkelt is per persoon verschillend. Vaak is er een aangeboren kwetsbaarheid in combinatie met negatieve levenservaringen of een omgeving die de psychische ontwikkeling ongunstig heeft beïnvloed. De eerste problemen ontstaan vaak in de adolescentie en duren relatief lang. Meestal worden de klachten minder na de leeftijd van 30-40 jaar. Een behandeling kan een gunstige invloed hebben, maar zal de persoonlijkheidsstoornis niet helemaal wegnemen.

Wat zegt DSM-IV?

In de DSM-IV-classificatie staan 10 persoonlijkheidsstoornissen, onderverdeeld in 3 clusters:

Cluster A (vreemd of excentriek gedrag)

Paranoïde persoonlijkheidsstoornis
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis
Schizotypische persoonlijkheidsstoornis

Cluster B (theatraal, emotioneel of grillig gedrag)

Antisociale persoonlijkheidsstoornis
Borderline persoonlijkheidsstoornis
Theatrale persoonlijkheidsstoornis
Narcistische persoonlijkheidsstoornis

Cluster C (gespannen of angstig gedrag)

Vermijdende persoonlijkheidsstoornis
Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis
Dwangmatige persoonlijkheidsstoornis

Meer uitleg over de cluster A stoornissen

Paranoïde persoonlijkheidsstoornis

Iemand met een paranoïde persoonlijkheidsstoornis denkt dat andere mensen niet te vertrouwen zijn. Hij stelt zich daarom vaak agressief en wantrouwend op.

Schizoïde persoonlijkheidsstoornis

Iemand met een schizoïde persoonlijkheidsstoornis heeft geen belangstelling voor contact met anderen en is dan ook erg teruggetrokken en alleen.

Schizotypische persoonlijkheidsstoornis

Iemand met een schizotypische persoonlijkheidsstoornis is vaak angstig en achterdochtig en slecht in staat om intieme relaties aan te gaan. Hij heeft eigenaardige overtuigingen of magische denkbeelden die het gedrag beïnvloeden.

Meer uitleg over cluster B persoonlijkheidsstoornissen

Antisociale persoonlijkheidsstoornis

Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis gedragen zich roekeloos, impulsief en agressief. Hun geweten is meestal niet volledig ontwikkeld. Ze zijn vaak betrokken bij misdrijven met geweld.

Borderline persoonlijkheidsstoornis

Mensen met borderline hebben sterke emoties en hebben hier weinig grip op. Zo kunnen zij onredelijk boos zijn en overgevoelig reageren, maar soms ook juist gevoelloos. Mensen met borderline hebben vaak een verstoring in het zelfbeeld, instabiele relaties en vertonen impulsief gedrag dat schadelijk kan zijn voor zichzelf, maar ook voor anderen.
Meestal hebben ‘borderliners’ een laag gevoel van eigenwaarde, met soms zelfbeschadigend gedrag tot gevolg. Veel mensen met borderline zijn bang om verlaten te worden en voelen zich vaak eenzaam. Borderline gaat vaak samen met andere stoornissen, zoals angst, depressie, psychose of middelenmisbruik.

Theatrale persoonlijkheidsstoornis

Kenmerken van een theatrale persoonlijkheidsstoornis is overdreven emotionaliteit en aandacht zoeken. Als iemand deze aandacht niet krijgt, kan hij onzeker, kwaad of depressief worden. Dit aandacht zoeken gaat gepaard met ongepast (seksueel) gedrag.

Narcistische persoonlijkheidsstoornis

Mensen met een narcistische persoonlijkheidsstoornis hebben een sterke behoefte aan bewondering. Zij gedragen zich superieur, maar zijn ook extreem onzeker. Zij vertellen vaak over grootse prestaties en talenten. Daarnaast zijn zij erg gevoelig voor kritiek.

Uitleg over cluster C persoonlijkheidsstoornissen

Vermijdende persoonlijkheidsstoornis

Mensen met een vermijdende persoonlijkheidsstoornis hebben wel behoefte aan sociaal contact maar gaan deze uit de weg uit angst voor afwijzing of vernedering. Hierdoor maken ze een geremde indruk.

Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis

Kenmerken van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis zijn een gevoel van hulpeloosheid en een laag gevoel van eigenwaarde. Mensen met deze stoornis hebben weinig vertrouwen in eigen kunnen en denken dat zij taken niet alleen kunnen uitvoeren.

Dwangmatige persoonlijkheidsstoornis

Mensen met een dwangmatige persoonlijkheidsstoornis zijn erg perfectionistisch en ordelijk ingesteld. Ze zijn weinig flexibel en niet geneigd tot zelfkritiek, iets is goed of fout. Mensen met deze stoornis zijn erg bezig met details, lijstjes en regels.

En wat zegt de DSM-5?

In de DSM-5-classificatie is een wijziging opgetreden in de omschrijving en definiëring  van persoonlijkheidsstoornissen. Zo worden nu de volgende criteria benoemd voor een persoonlijkheidsstoornis:

A. Er is een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen dat duidelijk afwijkt wat binnen de cultuur van betrokkene wordt verwacht. Dit patroon komt op twee (of meer) van de volgende terreinen tot uiting:

  • Cognities (manieren van waarnemen en interpreteren van zichzelf, andere mensen en  gebeurtenissen);
  • Affectiviteit (de variëteit, intensiteit, labiliteit en adequaatheid van de emotionele reacties);
  • Interpersoonlijk functioneren;
  • Impulsbeheersing.

B. Het duurzame patroon is inflexibel en komt tot uiting in een breed scala van persoonlijke en sociale situaties.
C. Het duurzame patroon veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of in het functioneren op andere belangrijke terreinen.
D. Het patroon is stabiel en van lange duur en het begin kan worden herleid tot op zijn laatst de adolescentie of jongvolwassen leeftijd.
E. Het duurzame patroon kan niet beter worden verklaard als een uiting of gevolg van een andere psychische stoornis.
F. Het duurzame patroon kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (drug of medicatie) of aan een somatische aandoening (zoals een schedeltrauma).

Wil je weten welke wijzigingen er zijn in DSM-5 ten opzichte van DSM-IV? Lees er meer over in de whitepaper van DSM-5

Behandeling van persoonlijkheidsstoornissen

De behandeling van persoonlijkheidsstoornissen is complex, de behandelaar of begeleider is vaak een psychotherapeut of psychiater. De behandeling is meestal ambulant. 3 belangrijke pijlers in de behandeling zijn psychotherapie, sociaalpsychiatrische behandeling en farmacotherapie.

Psychotherapie

Bij psychotherapie staan gesprekken tussen de cliënt en de deskundige hulpverlener centraal. De duur van een behandeling verschilt: bij sommige ernstige psychische problematiek kan het een jaar duren voor de behandeling effect heeft.

Doel

Psychotherapie wil psychische klachten verminderen of beter te hanteren maken. Voor het proces is inzet van de cliënt nodig en de behandeling gaat vaak gepaard met ups en downs.

Vormen

Hoewel psychotherapeutische behandeling een vaste systematiek volgt voor de therapeutische relatie met de cliënt, kan dit op veel manieren vorm krijgen: ‘individuele’ psychotherapie, een groepspsychotherapie of een systeembehandeling. De belangrijkste vormen van psychotherapie zijn:

  • Cognitieve gedragstherapie
    Cognitieve gedragstherapie komt voort uit gedragstherapie en cognitieve therapie. Gedragstherapie wil het gedrag veranderen dat emotionele problemen in stand houdt. Cognitieve therapie probeert de manier van denken van patiënten te wijzigen. De behandelingen zijn klacht- of probleemgericht en kortdurend van opzet. De therapeut werkt veel met oefeningen en huiswerk.
  • Psychoanalyse en psychoanalytische psychotherapie
    Zowel de psychoanalyse als psychoanalytische psychotherapie gaat ervan uit dat de cliënt vaak niet weet wat de achterliggende reden is van zijn gedrag. Het doel is dan ook om deze verborgen gedachten en gevoelens naar boven te halen. Hierdoor kan de cliënt psychische problemen beter begrijpen, verwerken en op zoek gaan naar mogelijkheden om met bepaalde situaties om te gaan.
  • Cliëntgerichte psychotherapie
    Bij cliëntgerichte psychotherapie staat de cliënt als persoon centraal. Zo bepaalt de cliënt zelf wat hij wel en niet in de therapie aan de orde wil stellen. De therapie wil het denken, voelen en handelen (her)integreren. De therapeut zit niet aan één manier van werken vast, maar kan meerdere benaderingswijzen volgen.

Sociaalpsychiatrische behandeling

Sociaalpsychiatrische begeleiding wordt vaak toegepast bij psychosociale problemen. Doel is om het evenwicht en stabiliteit te herstellen in het dagelijks leven. In gesprekken kijkt de therapeut hoe de cliënt zijn sociale netwerk en zijn dagbesteding het beste uit kan breiden. Daarnaast komt aan bod hoe de cliënt functioneert in de rol van bijvoorbeeld ouder, partner of werknemer. Bij sociaalpsychiatrische begeleiding richt het doel zich op het bieden van structuur en daarmee het voorkomen van een terugval.

Farmacotherapie

Er zijn geen geregistreerde geneesmiddelen voor de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen. Farmacotherapie richt zich alleen op behandelbare deelaspecten of symptomen.

Meer lezen over persoonlijkheidsstoornissen?

Kijk op de volgende websites:

Depressie

Van somberheid naar depressie

Sombere gevoelens heeft iedereen wel eens. Of weinig zin in de dagelijkse dingen. Maar wanneer spreek je nou van gewoon somber zijn en wanneer van een depressie? Dat verschil is niet altijd duidelijk te bepalen. Als een depressie de oorzaak is dan kan de sombere stemming en minder interesse hebben steeds erger worden en lang duren.
Kijk de video “leven met de zwarte hond”.
https://www.youtube.com/watch?v=vA2b0_Plwbk

Wat zijn de kenmerken van een depressie?

  • Somberheid
  • Geen interesse of plezier
  • Meer eten dan anders, of juist minder
  • Meer slapen dan anders, of juist minder
  • Rusteloos of juist vertraagd gedrag
  • Minder energie, vermoeidheid
  • Het gevoel nutteloos te zijn
  • Groot schuldgevoel
    Niet alle kenmerken hoeven voor te komen bij iemand met een depressie. Zo hebben mensen boven de 70 vooral lichamelijke klachten, zoals vermoeidheid of minder eetlust.

Mensen met een depressie hebben constant sombere gevoelens of geen interesse. Daarin verschilt een depressie van ‘normale’ somberheid, die duurt niet de hele dag.

Hoe ontstaat een depressie?

De oorzaak van een depressie kan van persoon tot persoon verschillen. Dat maakt het opsporen van een aanleiding lastig. Tal van factoren kunnen een rol spelen, denk aan bepaalde gebeurtenissen in iemands leven, zijn genetische achtergrond, persoonlijkheidsproblematiek, lichamelijke klachten of neurologische oorzaken.

Wat is de impact van een depressie?

De gevolgen van een depressie zijn vaak groot. Niet alleen ondervindt iemand met een depressie zelf psychisch lijden en beperkingen of isolement in zijn sociale leven, maar ook kunnen partners overbelast raken en de relatie met kinderen verstoord. Vaak is er onbegrip vanuit de omgeving en krijgt iemand met depressie zelfs negatieve reacties. Dat heeft ook zijn weerslag op de gezinsleden.
Een depressie kan leiden tot ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid of zelfs verlies van werk. In ernstige gevallen doen mensen suïcidepogingen. Depressie is de meest voorkomende reden van zelfmoord.

Verloop van depressie

De helft van de mensen met een depressie herstelt binnen 3 maanden, de andere helft na gemiddeld 6 maanden. Dat kan spontaan gebeuren of door behandeling. Een depressie kan ook terugkomen, dat gebeurt in de helft van de gevallen. Terugkerende depressieve episodes kunnen jarenlang duren. Iemand heeft een chronische depressie als hij voortdurend depressief is.

Symptomen van een depressie

Volgens de DSM-IV is er sprake van een depressie als er minstens 5 van de volgende symptomen gedurende ten minste 2 weken aanwezig zijn geweest. De symptomen dienen te wijzen op een verandering ten opzichte van het eerdere functioneren. Ten minste één van de symptomen is depressieve stemming (1) of vermindering van interesse en plezier (2).

  1. Depressieve stemming (of geprikkeldheid bij kinderen en jongeren) gedurende vrijwel de gehele dag, bijna elke dag.
  2. Duidelijke vermindering van interesse voor of plezier aan (bijna) alle activiteiten, gedurende vrijwel de gehele dag, bijna elke dag.
  3. Onopzettelijk, duidelijk gewichtsverlies of onopzettelijke gewichtstoename, of een af- of toename van de eetlust. Bij kinderen kan er sprake zijn van het uitblijven van de verwachte gewichtstoename.
  4. Slaapklachten: niet (voldoende) kunnen slapen, te veel moeten slapen, bijna elke dag.
  5. Psychomotorische gejaagdheid of geremdheid, bijna elke dag.
  6. Vermoeidheid of verlies van energie, bijna elke dag.
  7. Gevoelens van waardeloosheid, of ernstige c.q. inadequate schuldgevoelens.
  8. Vermindering van het vermogen om te denken, zich te concentreren, of besluiteloosheid.
  9. Gevoelens van wanhoop, zelfmoordgedachten, fantasieën over zelfmoord zonder specifieke plannen, een zelfmoordpoging of een specifiek plan voor zelfmoord. Niet alleen de vrees dood te gaan.

6 soorten depressie

Een depressie uit zich op verschillende manieren. Bekijk deze 6 subtypes van een depressie:

Depressieve stoornis

Heet ook wel ‘unipolaire depressie’ of ‘gewone’ depressie. Van een depressieve stoornis is sprake als iemand voor langere tijd somber of neerslachtig is. Een periode met depressieve symptomen noemen we een depressieve episode. Blijft het bij één episode? Dan heet het een eenmalige stoornis. Herhalen de episodes zich, dan noemen we de depressieve stoornis recidiverend.

Dysthyme stoornis

De dystyme stoornis is ‘milder’ dan een depressieve stoornis. Er moet ten minste 2 jaar een (lichte) depressieve stemming hebben bestaan en daarnaast moeten 2 of meer van de depressieve symptomen aanwezig zijn geweest (met uitzondering van psychomotorische gejaagdheid of geremdheid). Hoewel de symptomen doorgaans milder zijn dan bij een depressie, ervaren mensen de dysthyme stoornis toch als zwaarder door de langdurigheid ervan.

Bipolaire stoornis

Beter bekend als de manische depressie. Bij een bipolaire stoornis worden blije periodes afgewisseld met periodes van somberheid. Tijdens de ‘goede’ periodes voelt iemand zich extreem energiek en opgewekt.

Psychotische depressie

Hiervan spreken we als er naast depressieve gevoelens ook waangedachten of hallucinaties aanwezig zijn. De wanen komen vaak overeen met de depressie.

Postnatale depressie

Dit type depressie komt voor bij vrouwen die net een kind hebben gekregen. Een postnatale depressie lijkt qua symptomen op de ‘gewone’ depressie, maar treedt pas op binnen vier maanden na de bevalling. Iemand met postnatale depressie heeft depressieve gevoelens en kan niet genieten van de baby.

Seizoensgebonden depressie

Mensen die alleen in het najaar, de winter en/of het vroege voorjaar last hebben van depressieve stemmingen lijden vaak aan een seizoensgebonden depressie. Het bekendst is de winterdepressie. Mensen met een winterdepressie zijn somber en neerslachtig, vertonen terugtrekgedrag, slapen en eten veel, zijn vermoeid en prikkelbaar en hun gewicht neemt toe. Oorzaak is de verandering in daglicht waardoor de biologische klok verstoord raakt. Waarschijnlijk speelt het hormoon melatonine een rol. De winterblues is een mildere variant van winterdepressie. Er zijn wel klachten, maar mensen die lijden aan winterblues zijn niet ziek en ze zijn niet somber of neerslachtig.

Depressies bij ouderen

Ouderen met een depressie zijn meestal niet extreem somber, maar eerder rustig en lusteloos. Ze wijten hun sombere gevoel aan de dingen die ze in hun leven hebben meegemaakt, zoals rouw en verminderen van sociale contacten. Hulpverleners herkennen een depressie bij ouderen vaak niet, omdat de symptomen lijken te horen bij de leeftijd, denk bijvoorbeeld aan vergeetachtigheid, lichamelijke ongemakken of eenzaamheid. Bovendien wordt een depressie ook wel verward met dementie. Beide kunnen overigens in combinatie voorkomen.
Naast erfelijkheid, medicatie, hormonen of alcohol kunnen ook ziekte of invaliditeit een depressie bij ouderen uitlokken. Bovendien verminderen de uitvoerende functies van de hersenen als mensen ouder worden, dat uit zich bijvoorbeeld in stug denken en onoplettendheid. In samenhang met veel piekeren kan dit tot negatieve gedachtepatronen leiden.

Oorzaken van een depressie

Wat is de oorzaak van een depressie? We weten het niet precies, maar wel dat de stofwisseling in de hersenen een belangrijke rol speelt. Bij mensen met een depressie is de uitwisseling van chemische stoffen tussen verschillende hersendelen uit evenwicht, deze heten neurotransmitters. Dat kan verschillende oorzaken hebben. Deze factoren spelen daarbij vaak een rol:

  • Erfelijke aanleg
  • Sociale en omgevingsfactoren
  • Chemische ontregeling
  • Negatieve ervaringen in iemands jeugd
  • Hormonale ontregeling

Het is vaak een combinatie van factoren die bij iemand een depressie uitlokt. Zo ontwikkelt niet iedereen met een erfelijke kwetsbaarheid een depressie, omdat bijvoorbeeld de sociale en omgevingsfactoren daar geen aanleiding toe geven, zij zorgen dan voor een evenwicht.

Wil je meer weten over een depressie en wat jij als hulpverlener voor jouw cliënt met een depressie kan doen? Kijk dan op de website van het Kennisplein Zorg voor Beter.

Hulp en informatie voor cliënten, mantelzorgers en zorgverleners

Enkele organisaties die hulp en informatie bieden bij depressies:

  • Depressie Vereniging.
  • Fonds Psychische Gezondheid.
  • Stichting Korrelatie.
  • Stichting Pandora.
  • Vereniging voor Manisch Depressieven en Betrokkenen (VMDB)

Verslavingsziektes

Inleiding

Wat is verslaving? Vroeger zagen mensen verslaving als een karakterzwakte. Nu weten we dat afhankelijkheid van een stimulans mede komt door een samenspel van processen in de hersenen. Het gelukshormoon dopamine zet het proces in gang, dit is een boodschappers-stofje dat bijvoorbeeld zorgt voor het opwekken van verlangen naar een stimulans (alcohol, cocaïne, medicatie, gokken, gamen, sporten, eten) of door iets dat hier aan doet denken. De grote hoeveelheden dopamine die hierbij vrijkomen maken dat de persoon zich goed voelt. Daarom is iemand ook niet erg gemotiveerd om te stoppen met het middel of zijn gedrag te wijzigen. En zelfs na langere tijd van onthouding kan iets het beloningssysteem opnieuw en zelfs onbewust activeren en zo een terugval uitlokken. Door verslaving werken het beoordelingsvermogen, de zelfbeheersing en andere cognitieve processen minder goed. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat verslaving een chronische progressieve ziekte is die zonder behandeling meestal steeds erger wordt.


Wat zegt de DSM-5?

De DSM-5 maakt geen onderscheid meer tussen misbruik en afhankelijkheid maar spreekt van ‘stoornissen in het gebruik van middelen’ (substance abuse disorders). Verslaving wordt vastgesteld aan de hand van 11 criteria van DSM-5.
Voldoet iemand aan 2 of 3 criteria dan heeft hij een milde stoornis in het gebruik van middelen. Voldoet hij aan 4 of 5 criteria dan is er sprake van gematigde (moderate) stoornis en bij 6 of meer symptomen is er sprake van een ernstige stoornis.
De 11 criteria zijn:

  1. Vaker en in grotere hoeveelheden gebruiken dan het plan was.
  2. Mislukte pogingen om te minderen of te stoppen
  3. Gebruik en herstel van gebruik kosten veel tijd.
  4. Sterk verlangen om te gebruiken.
  5. Door gebruik tekortschieten op het werk, school of thuis.
  6. Blijven gebruiken ondanks dat het problemen met zich meebrengt op relationeel vlak.
  7. Opgeven van hobby’s, sociale activiteiten of werk door gebruik.
  8. Voortdurend gebruik, zelfs wanneer iemand daardoor in gevaar komt.
  9. Voortdurend gebruik ondanks lichamelijke of psychische problemen.
  10. Grotere hoeveelheden nodig hebben om het aanvankelijk effect te voelen.
  11. Het optreden van onthoudingsverschijnselen die minder hevig worden door meer te gebruiken.

Kerneigenschappen van verslaving

Verslaving kent 3 zeer herkenbare kenmerken in het dagelijks functioneren van mensen met een verslaving (APA 2000; Rutten, Loth & Hulshoff 2009):

  • een sterke hunkering naar de stof als iemand nuchter is, de zogenaamde craving of zucht
  • wanneer iemand dan gaat gebruiken is het heel moeilijk om weer te stoppen. Het gebruik zet stevig door, waardoor controleverlies optreedt
  • lukt het toch om te stoppen, al is het maar door de roes uit te slapen, dan treden er negatieve consequenties op in de vorm van ontwenningsverschijnselen, een algemeen onbehagen, spanningen en onrust. 

Gewoontes of middelen?

Gewoonteverslaving

Een gewoonteverslaving (of procesverslaving) is een verslaving aan een handeling. Deze handeling geeft een goed gevoel of een boost. Denk bijvoorbeeld aan een verslaving aan gokken, internet, gamen, seks of werken (workaholisme).

Middelenverslaving

Bij een middelenverslaving speelt een middel een rol dat verslavend is omdat het een directe werking op de hersenen heeft. Deze middelen heten ook wel psychoactieve middelen, grofweg in te delen in:

  • stimulerende middelen (amfetamine, cocaïne, nicotine)
  • verdovende middelen (alcohol, opium)
  • geestverruimende middelen (thc, lsd)

Alcohol- en nicotineverslaving komen het meest voor. Sommige verslavingen vallen niet direct op, denk aan een verslaving aan medicatie.

Fasen in verslaving

  • Experimenteel gebruik: iemand gebruikt het product voor het eerst, meestal uit nieuwsgierigheid naar het effect.
  • Recreatief gebruik: het plezier of genot staan op de voorgrond. Het is deel van het leven en heeft niet onmiddellijk negatieve consequenties.
  • Schadelijk of overmatig gebruik: het gaat in deze fase niet meer alleen over genot of plezier, maar veelal om het vermijden van negatieve gevoelens. Het gebruik heeft een negatieve impact op het dagelijks leven.
  • Verslaving: deze fase heeft als kenmerken obsessief najagen van het effect, machteloosheid, mateloosheid en controleverlies.

Hoe iemand van de ene fase naar de andere overgaat is niet altijd onmiddellijk zichtbaar. Het is vaak een dunne lijn, zowel voor de persoon zelf als voor zijn omgeving.

Wat is cross-addiction?

Het inruilen van de ene verslaving door de andere heet ‘crossaddiction’. Dit fenomeen kent verschillende uitingsvormen. Zo start een alcoholverslaafde bijvoorbeeld met het misbruiken van medicijnen, of iemand die aan het herstellen is van cocaïneafhankelijkheid raakt verslaafd aan middelen voor de behandeling van ADHD. Vaak zien we dat een middel van dezelfde familie de oorspronkelijke verslaving opvolgt (stimulerens, verdovend en geestverruimend).
Verder ontwikkelen sommigen in ruil voor een middelenverslaving, een verslaving aan bepaalde activiteiten zoals overmatig sporten, winkelen, gokken of seks om het beloningssysteem te blijven prikkelen.

Verslaving als chronische ziekte

Het denken over verslaving heeft in de in de laatste 2 eeuwen een duidelijke ontwikkeling doorgemaakt (van den Brink 2006). In het begin van de 19e eeuw was verslaving vooral een morele zwakte (moreel model met heropvoedingskampen). De opvatting eind 19e en begin 20e eeuw was dat de verslavende eigenschappen van de stof de directe oorzaak waren van verslaving (farmacologisch model met drankbestrijding). Daarna kwam een psychoanalytisch geïnspireerd model in zwang met verslaving als uiting van een onderliggende karakterneurose (symptomatisch model met therapeutisch gemeenschap). En in de tweede helft van de 20e eeuw was verslaving een biopsychosociaal bepaalde aandoening (met een combinatie van behandelingen). De laatste 25 jaar is de opvatting – binnen de psychiatrie, maar ook daarbuiten – dat verslaving een hersenziekte is waarin biologische kwetsbaarheid en persistente veranderingen van het brein door herhaaldelijk middelengebruik centraal staan (hersenziektemodel: Leshner 1997).
Op dit moment omschrijven we verslaving als een toestand waarin een persoon mentaal en/of fysiek van een gedrag of psychoactief middel afhankelijk is. Kenmerken hiervan zijn obsessief handelen, controleverlies, onvoorspelbaar gedrag, mateloosheid, grenzeloosheid en machteloosheid. Het gedrag is voornamelijk gericht op het verkrijgen en innemen van het middel en/of het obsessief handelen. Dit kan ten koste gaan van andere belangrijke activiteiten. Wanneer mensen die verslaafd zijn de psychoactieve stof of gedragingen moeten loslaten zien we vaak ontwenningsverschijnselen.

Bekijk het filmpje over ontstaan van een verslaving.

https://www.youtube.com/watch?v=JVQy-LUE9Ss

Verslaving en het biopsychosociaal ziektemodel

Het biopsychosociaal ziektemodel bestaat vanaf 1970. Dit sluit het dichtst aan bij hoe we vandaag naar verslaving kijken. Volgens dit model spelen meerdere factoren een rol bij verslaving:

  • aangeboren kwetsbaarheid (biologisch),
  • iemands persoonlijke ontwikkeling,
  • bepaalde leerervaringen (psychologisch),
  • omstandigheden (sociaal).
    Meer recent krijgen de neurobiologische en genetische factoren een belangrijke rol toebedeeld. Er is steeds meer erkenning voor verslaving als een ziekte.

De cirkels van Kuno van Dijk

Het model vicieuze cirkels van Van Dijk gaat over de factoren die de verslaving in stand houden. Volgens van Dijk zijn er 4 vicieuze cirkels te onderscheiden. In onderstaand voorbeeld lees je over de verslaving aan alcohol. Je kunt de cirkels echter ook toepassen op andere vormen van verslaving.

De farmacologische vicieuze cirkel

Dagelijkse hoeveelheden alcohol zorgen ervoor dat het lichaam en de hersenen van de gebruiker hieraan wennen. Er ontstaat tolerantie en de gebruiker krijgt ontwenningsverschijnselen bij minderen of stoppen. Door de ontwenningsverschijnselen gaat hij weer gebruiken, waardoor deze even verdwijnen, maar al snel verergerd terugkomen. De gebruiker krijgt door de farmacologische cirkel alleen maar meer behoefte aan alcohol.

De psychische vicieuze cirkel

De gebruiker ervaart de roes van alcohol als positief. Deze roes en de omgeving waarin hij gebruikte vormen een krachtige herinnering, die ervoor zorgt dat hij opnieuw wil gaan gebruiken. Door het gebruik krijgt de gebruiker onaangename gevoelens van schuld en schaamte. De reactie op onaangename gevoelens is opnieuw gebruiken of drinken. De gebruiker krijgt door de psychische cirkel alleen maar meer behoefte aan alcohol.

De sociale vicieuze cirkel

Door het drinken krijgt de gebruiker allerlei problemen. Denk aan ruzie met naasten of collega’s of problemen met politie en justitie. De gebruiker voelt zich steeds meer afgewezen. Deze problemen vormen op hun beurt weer redenen om te drinken, waardoor ze alleen maar groter worden.

De cerebrale cirkel

Het vele drinken tast de hersenen aan. Het beloningscentrum wat bij een verslaafde al vaak minder goed functioneert gaat hierdoor nog slechter functioneren en zorgt dat hij zich slecht voelt. Ook het functioneren van de cortex vermindert door het vele gebruik. De verslaafde vindt het steeds moeilijker de impuls om te drinken te weerstaan. Dit tast de hersenen weer verder aan, waardoor de kans alleen maar verkleint dat de gebruiker zal stoppen.

Wil je meer lezen over de cirkels van Kuno van Dijk? Lees dan dit document.

Verslaving en gedrag

Welke fasen (zie 1.1) iemand doorloopt hangt af van verschillende factoren. Een verslaafde krijgt steeds minder controle over het dagelijks leven. Vaak heeft de omgeving dat eerder door dan de persoon zelf.
Wat gebeurt er in de hersenen bij verslaving? Door controleverlies en ongezond leven raken de centrale executieve functies (CEF) verstoord. Deze functies in de prefrontale cortex zorgen dat je bijvoorbeeld gedetailleerde plannen kunt maken, behoeftes uit kunt stellen en je aan kunt passen aan omstandigheden. Door de CEF kun je reflecteren en dingen starten, stoppen en reguleren.

Je ziet bij iemand met een verslaving dan ook dat:

  • opstarten minder goed gaat en verandert in passiviteit en apathie;
  • stoppen niet meer goed lukt en verandert in impulsiviteit en ontremming;
  • reguleren van het leven mislukt, iemand krijgt steeds minder organisatievermogen, flexibiliteit en inzicht.

Daarbij komt dat iemand met een verslaving moeilijk kan reflecteren op zijn eigen gedrag, waardoor veranderen nauwelijks lukt. Vaak wil iemand wel hulp, om minder last te hebben van de gevolgen van zijn verslaving, maar tegelijkertijd wil hij blijven gebruiken. Zijn verlangen naar middelen heeft niets te maken met zijn karakter, maar wel met de controle kwijt zijn over automatiseren en impulsen. Omdat hij hulp wil belooft hij te stoppen maar raakt hij in een proces van liegen, manipuleren en geen verantwoordelijkheid nemen. Uiteindelijk ontkent hij de problemen (Loth in Rutten, Loth & Hulshoff, 2009).

Iemand met een verslaving is bang voor wat er gebeurt als hij de middelen kwijtraakt. Hij gaat ontkennend en leugenachtig gedrag vertonen:

  • verontwaardigd ontkennen (‘denk jij dat ik gebruik?’);
  • minimaliseren van het gebruikspatroon (‘ik heb maar een klein beetje gebruikt’);
  • anderen de schuld geven van het eigen gebruik (‘ik kon niet anders omdat…’).

Ook deze vormen van ontkenning kun je tegenkomen. Ze zijn lastiger te herkennen:

  • Projectie. Iemand ontkent zijn eigen onacceptabele gedrag door het te projecteren op anderen. Een voorbeeld: je hoort iemand ineens iets vertellen over het gebruik van alcohol van iemand anders in plaats van zichzelf. Let erop dat iemand dat vaak doet omdat hij zich schaamt of een negatief zelfbeeld heeft.
  • Rationalisatie. Iemand wil de ernst van de situatie minder erg laten lijken door allerlei dingen uit te leggen en te verklaren. Een voorbeeld: in gesprek met iemand met een verslaving gebeurt het wel eens dat je als hulpverlener ineens aan andere dingen gaat denken. Meestal heeft de patiënt het dan voor elkaar gekregen om je te laten afdwalen van het echte gespreksonderwerp.
  • Magisch denken. Iemand ontkent zijn eigen leven door te dromen van een ander, vaak niet direct te realiseren leven. Een voorbeeld: iemand vertelt dat hij gelukkig en clean gaat worden als hij een huis en een mooie echtgenote heeft. Het gaat dan om bijna onrealistische doelen. Het is een vlucht uit het echte leven.


Kijktip: Renee over GHB-verslaving: 'Je gaat trillen als je een dosis overslaat' (RTL NIEUWS)
https://www.youtube.com/watch?v=jHU2RUEUVNo

Omgaan met iemand met een verslaving

Weinig mensen kunnen uit zichzelf hun leefstijl blijvend veranderen, dat zullen veel mensen herkennen. Hoe ga jij als hulpverlener goed om met iemand met een verslaving? Hoe til je de mens boven het verslavingsprobleem uit (Loth 2013)?

Waarschijnlijk wil jij als hulpverlener veel sneller gaan dan degene met een verslaving. Zorg ervoor dat je het tempo van de verslaafde of het netwerk aanhoudt en stem de stappen die je zet met hem af. Tijdens het begeleidingstraject moet je kunnen omgaan met weerstand. Herken en benoem dit en blijf aansluiten bij de verslaafde. Neem zijn gedrag serieus en communiceer in begrijpelijke taal.
Stel grenzen door duidelijk aan te geven wat wel en niet kan. Stem deze ook af met je collega’s. Negeer gedrag als dat beter is of leer het te accepteren. Vaak kan degene met een verslaving niet anders. Bedenk ook dat iemand in zijn omgeving al veel met afwijzing te maken heeft gehad.

Kijktip:

Dit zijn 2 video’s voor huisarts en POH om het gesprek aan te gaan over psychische klachten en alcohol.
Film 1 (vrouw)

https://player.vimeo.com/video/202898081

Film 2 (man)

https://player.vimeo.com/video/202897773

Het Trimbos instituut ontwikkelde een factsheet over hetzelfde onderwerp.

Mensen met autisme

Aan de term ‘autismespectrumstoornis’ zie je al dat er niet één autisme bestaat, maar dat er verschillende vormen zijn. De medisch-psychiatrische invalshoek spreekt over een spectrum van stoornissen of een spectrum van afwijkende gedragskenmerken. Sommige mensen benoemen het liever niet vanuit ‘stoornis’ of ‘afwijking’, maar zeggen bijvoorbeeld dat het autismespectrum een variant is van het menselijke spectrum, de variatie tussen mensen.

Disability Studies in Nederland (DSiN) verzamelde en ontwikkelde les- en studiemateriaal over autisme. Een selectie daarvan vind je op het kennisplein Gehandicaptensector

Op de website van de Nederlandse Vereniging voor Autisme staat veel informatie over autisme, verschijningsvormen, ervaringsverhalen, vlogs en blogs. Je vindt er tips over hoe je omgaat met mensen met autisme per levensfase of bij specifieke gebeurtenissen.

Kijktip

Uitzending van ‘Doe ff normaal’.

https://www.youtube.com/watch?v=f31jPyV57aI

Korte animatie van de Vereniging voor Autisme (NVA).

  • Wat zijn de belangrijkste kenmerken van autisme?
  • Welke vormen zijn er?
  • Tips en adviezen over hoe je kunt omgaan met mensen met autisme.

https://www.youtube.com/watch?v=3aStVzuksGg

Mensen met niet-aangeboren hersenletsel

In Nederland ervaren naar schatting 650.000 mensen beperkingen door niet-aangeboren hersenletsel (NAH). De definitie van niet-aangeboren hersenletsel die we in deze kennisbundel hanteren is: een beschadiging van het hersenweefsel door een hersenaandoening die op enig moment vanaf de geboorte is ontstaan.

Kenmerkend voor niet-aangeboren hersenletsel is de breuk in de levenslijn: het leven voor en na het letsel verschilt essentieel. NAH kan verschillende oorzaken hebben. We maken onderscheid tussen traumatisch en niet-traumatisch letsel.

Bekijk ook de kennisbundel niet-aangeboren hersenletsel

Tips voor wijkprofessionals

Leestips

Kijktips

3 mensen met NAH die hun ervaringsverhalen delen:

Laura

https://www.youtube.com/watch?v=b_seVt0eGGY

Mariska

https://www.youtube.com/watch?v=8QzOMTh9yvw

Marty

https://www.youtube.com/watch?v=6OLWUUZYsEw

Mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB)

Aan iemands uiterlijk zie je niet of hij licht verstandelijk beperkt of zwakbegaafd is. Daardoor worden deze mensen vaak overvraagd op school, het werk of in het alledaagse contact. Dit leidt tot faalervaringen, gevoelens van frustratie en een negatief zelfbeeld. Deze nare gevoelens uiten zich onder andere in opstandig gedrag. De buitenwereld ziet deze mensen als lastig, terwijl het niet gaat om ‘niet willen’ maar om ‘niet kunnen’.

Mensen met een licht verstandelijke beperking hebben een aantal kenmerken:

  • kwetsbare groep
  • IQ onder de 85
  • psychiatrische stoornissen en gedragsstoornissen

Lees meer informatie over mensen met een licht verstandelijke beperking op kennisplein gehandicaptensector.

Begrijpelijk communiceren, daar draait het om

‘In Amsterdam bundelen we expertise over LVB om onder andere de wijkteams op maat te ondersteunen.’ Hans Willemsen richtte een expertisenetwerk LVB 18+ op. Dit maakte een toegankelijke e-learning om zoveel mogelijk professionals te bereiken. ‘Het is van belang dat mensen zich bewust worden van het feit dat er iets misgaat in de communicatie. Welke signalen kun je daarover oppikken? Met deze e-learning willen we in eerste instantie mensen gevoeliger maken voor het verloop van een gesprek. Begrijpt de ander mij en waar merk ik dat aan? Het gaat er om even stil te staan bij je eigen manier van communiceren. Eerst moeten mensen snappen dat ze niet begrepen worden en dat dat heel inefficiënt werkt. En hoe check je of je wordt begrepen? Een helpende zin als “heb ik het je goed uitgelegd?” komt bijvoorbeeld heel anders over dan “begrijp je wat ik zeg?”’

Kijktips over LVB

Ervaringsverhalen:
Na jaren van eenzaamheid en onbegrip blijkt dat René (60) licht verstandelijk beperkt is.

https://www.youtube.com/watch?v=vTOaAu57Xm0

Dorina vertelt over haar hele lichte verstandelijke beperking.

https://www.youtube.com/watch?v=ATaqUpkAxyk


 

Na veel lees- en kijkwerk is het tijd om in en met de praktijk aan de slag te gaan. Onderstaande opdrachten beschrijven situaties uit de dagelijkse praktijk van wijkverpleegkundigen, sociaalpsychiatrisch verpleegkundigen en casemanagers.
Werk alleen aan de opdrachten of in groepjes. Zo wissel je ervaringen met elkaar uit.

Stuur je eigen materiaal in >

Opdracht 1: Opdrachten uit de praktijk bij het hoofdstuk ziektebeelden

Opdracht schizofrenie/psychose: ervaringsverhaal van leerling wijkverpleegkundige Fadoua

Opdracht: individueel of in voor werken in subgroepen
Tijd: 1 – 2 uur
Lees onderstaande casus zorgvuldig door en beantwoord de vragen individueel of in een kleine groep van studenten (4 -5).

Op kantoor hebben mijn collega’s mij verteld over de heer Kampen. De heer zou een ‘vreemde man’ zijn, die al een tijd in zorg is. De heer Kampen heeft schizofrenie en heeft een rechterlijke machtiging (RM). Deze heeft de heer gehad nadat hij tijdens een psychose zijn bovenbuurvrouw bij haar keel had gegrepen. Aan de RM van de heer Kampen hangen voorwaarden, zo dient hij therapietrouw te zijn.
Als leerling hbo-verpleegkundige was het die ochtend mijn taak om dhr. Kampen zijn medicatie te laten innemen, dit af te tekenen in het dossier en zo nodig bijzonderheden te rapporteren. Ik wilde als aanstaand zorgcoördinator een vertrouwensband opbouwen met de heer en geen argwaan wekken of agressie uitlokken.
Ik ben omstreeks 08.00 uur bij de heer. Ik parkeer mijn auto in de straat en loop naar zijn deur. Op het raam zie ik een A4 geplakt, met daarop groot geschreven: ‘kloppen op het raam en niet bellen!’ Dit doe ik dan ook. Door de verhalen die ik over de heer had gehoord, ben ik erg zenuwachtig, want wat zal ik aantreffen? Het duurt even, maar dan doet hij heel voorzichtig de deur open, kijkt mij wat vreemd aan en maakt een gebaar dat ik naar binnen kan komen. Ik glimlach naar de heer Kampen, stel mij voor en stap naar binnen. Hij vertelt mij dat ik naar de woonkamer kan gaan, hier staat een grote eettafel met daarop het cliëntdossier, de baxterrol en een grote schaar. Overal liggen stapels kranten en folders. Ik mag gaan zitten aan de grote eettafel en ook de heer zelf gaat zitten, schuin tegenover mij.
De heer legt het cliëntdossier en een pen gehaast en hardhandig voor me neer. Ik blader door het cliëntdossier en lees dit goed door, omdat ik er pas voor de eerste keer ben. De heer Kampen opent intussen zijn baxter en neemt de medicatie uit de baxter in zijn hand. Hij maakt daarna een schijnbeweging richting zijn mond en doet alsof hij zijn medicatie in zijn mond heeft gedaan. Ik zie dit in mijn ooghoeken gebeuren, echter de heer heeft dit niet door. Hij vertelt mij vervolgens op een gehaaste manier waar ik kan aftekenen en dat dit twee keer moet gebeuren.
Ik moet even nadenken over hoe ik dit ga aanpakken en hoe ik het beste kan reageren. De heer is namelijk agressief geweest en ik wil niet dat dit gaat escaleren. Dit zorgt er bij mij voor dat ik mij niet op mij gemak voel. Ik ben bang om de agressie bij de heer op te wekken.

Vragen naar aanleiding van de casus. Werk de vragen individueel uit en bespreek ze daarna in een kleine groep.

  • Ga bij jezelf na welke gevoelens deze casus bij je oproept.
  • Heb je al eens een vergelijkbare situatie meegemaakt?
  • Hoe ga je handelen in deze situatie?
  • Handel je alleen? Of schakel je ook collega’s of samenwerkende partijen in?

Vervolgopdracht schizofrenie/psychose: ervaringsverhaal van leerling wijkverpleegkundige Fadoua

De heer Kampen maakt vandaag een onrustige indruk op mij. Dhr. heeft namelijk een snelle ademhaling en is snel in zijn handelen, ook kijkt hij argwanend. Ik vraag de heer hoe het met hem gaat. Hij vertelt dat het ‘wel goed’ gaat. Daarop zeg ik, dat als het minder gaat dat hij ook mag zeggen. De heer antwoordt daarop: ‘Je kan me toch niet helpen’.
Als ik hier verder op in wil gaan zegt de heer dat ik stil moet zijn en wijst naar boven. Hij gebaart en fluistert dat ze meeluisteren en dat ze alles horen. Hij heeft het over de bovenburen. Ik schrik van zijn reactie en voel dat mijn hart sneller gaat kloppen. Ik ben bang dat ik wellicht agressie bij de heer zal opwekken. Ik ben op dat moment in zijn waan meegegaan en besluit er verder niet meer op in te gaan. Ik ben op dat moment bang dat hij naar de schaar grijpt die hij op tafel heeft liggen om de baxter mee te openen. Dat is al vaker gebeurd. De heer neemt zijn medicatie weer niet behoorlijk in. Ik heb er nu niets van gezegd. Ik heb niet in het dossier gerapporteerd dat bij de heer thuis ligt. Dhr. leest namelijk vaak mee en ik wil geen agressie opwekken.
Na mijn ochtendroute heb ik op kantoor de situatie met het team besproken. Ik gaf aan dat de situatie voor mij een bevestiging is van mijn vermoeden dat dhr. niet medicatietrouw is.
Met het team besprak ik alle vragen die ik had.

Ga voor je zelf na (of werk direct in je groep) hoe je de vragen van Fadoua kan beantwoorden:

  • Moet ik nu wel of niet mee gaan in de waan?
  • Mag ik corrigeren? En met welk resultaat?
  • Had ik de heer directief moeten aanspreken over het innemen van de medicatie?
  • Hoe nu verder met de medicatie?
  • Wie kan ik waarschuwen? Zonder de vertrouwensband te schaden?
  • Is de situatie nog wel veilig genoeg voor mij als hulpverlener?

Schrijf aansluitend aan deze opdracht een reflectieverslag waarin je een eerdere ervaring beschrijft, hoe je hebt gehandeld en of het werken aan deze opdracht tot nieuwe, andere inzichten heeft geleid.

Opdracht 2: Casus en opdracht schizofrenie/psychose

Opdracht: individueel en voor werken in subgroepen
Tijd: 1 uur
Ga aan de hand van deze casus met elkaar in gesprek en beantwoorde daarbij de vragen.

Carola is 25 jaar. Ze is in de jaren negentig van de vorige eeuw met haar familie vanuit Kroatië naar Nederland gekomen. Als klein kind heeft zij de oorlog van dichtbij meegemaakt. Enkele familieleden werden vermoord en het gezin heeft moeten vluchten. De jeugd van Carola verloopt na aankomst in Nederland vrij probleemloos, zij ontwikkelt zich normaal. Zij behaalt haar havodiploma en start daarna met de pabo. Tijdens haar studie loopt Carola echter vertraging op. Zij heeft moeite met het organiseren van haar werkzaamheden, kan zich met moeite concentreren op haar studie en geeft aan slecht te slapen.

Sinds een week verschijnt Carola niet meer op haar stage. Enkele vriendinnen en haar stagebegeleider hebben contact met haar opgenomen, maar Carola houdt elk contact af. Zij geeft aan een burn-out te hebben en het even rustig aan te moeten doen.

Buren merken op dat Carola nauwelijks meer naar buiten komt. De gordijnen blijven overdag vaak dicht. Sinds enkele dagen horen buren in de nacht geluiden uit de woning komen. Zij horen geschuif met meubels, maar horen Carola zelf ook met regelmaat roepen en schreeuwen.

Vanochtend vroeg komt het tot een climax: Carola gooit allerlei spullen uit het raam. De hulp van de politie wordt ingeroepen.

  • Welke kenmerken van een psychose en mogelijk schizofrenie haal je uit de casus?
  • Uit welke elementen zou de hulpverlening aan Carola kunnen bestaan?
  • Welke partijen zijn daarbij nodig?
  • Kan je een prognose geven? Zo ja, welke?

Opdracht 3: schizofrenie/psychose

Opdracht in subgroepen.
Tijd: 20 – 30 minuten

Heb jij wel eens een (bijna of milde) psychotische ervaring gehad?
Welke factoren speelden een rol bij het ontstaan van deze ervaring?

Bespreek deze ervaring in een kleine subgroep. Koppel ervaringen terug in de gehele groep van studenten.

Opdracht 4: Casus Dementie - mevrouw B.

Opdracht: individueel
Tijd: 1 tot 1,5 uur
Lees de casus en beantwoord de volgende vragen.

Mevrouw B. is 70 jaar en wordt aangemeld bij de wijkverpleging na een ziekenhuisopname van enkele dagen. Mevrouw onderging een mamma amputatie links. De borstkanker geeft metastasen in de lever en de longen, welke niet meer behandeld zullen worden.

Mevrouw woont samen met haar man in een kleine arbeiderswoning. Mevrouw is bekend met vasculaire dementie: haar kortetermijngeheugen is slecht, de oriëntatie in plaats en persoon is goed, oriëntatie in tijd is verstoord, er is sprake van verwardheid, apraxie en misinterpretatie.

Mevrouw is sterk zorgmijdend, heeft sinds jaren een alcohol- en tabakverslaving en zorgt slecht voor haarzelf. Persoonlijke hygiëne is ontoereikend, mevrouw heeft een slechte voedingstoestand (ze is sterk vermagerd) en heeft veel sturing nodig bij de dagelijkse handelingen. Bij de ‘juiste’ benadering is mevrouw coöperatief.

De echtgenoot van mevrouw is ook een zorgmijder en kent dezelfde alcohol- en tabakproblematiek. Echtgenoot zorgt dagelijks voor mevrouw en hanteert daarbij zijn eigen inzichten. Zo is de ondersteuning bij de persoonlijke hygiëne en voeding ontoereikend. De echtgenoot heeft weinig geduld met mevrouw, er zijn de nodige woordenwisselingen en conflicten.

Het echtpaar heeft een dochter die aangeeft zwaar overbelast te zijn. Dochter en vader hebben besloten dat mevrouw niet wordt geïnformeerd over haar slechte prognose. De wens is om mevrouw zo lang als verantwoord is in de thuissituatie te verzorgen. De dochter woont echter op flinke afstand en het echtpaar accepteert weinig hulp.

Op het moment van aanmelding heeft mevrouw een flinke operatiewond, die slecht geneest. Van invloed zijn de slechte hygiëne en voedingstoestand. Mevrouw is sterk vermoeid, waardoor zij graag de persoonlijke verzorging overslaat. De badkamer is niet aangepast en ernstig vervuild. Dhr. draagt zorg voor de boodschappen, hij heeft echter weinig kennis van gezonde voeding. Er wordt voornamelijk bier ingekocht.

  • Welke verpleegkundige diagnoses stel je op basis van de casus?
  • Hoe en met wie valideer je de diagnoses?
  • Welke resultaten wil je in deze situatie gaan behalen?
  • Welke interventies zijn daar bij nodig?
  • Wie heb je daarbij nodig? Met wie ga je samenwerken?

Opdracht 5: Casus Verslavingsziektes

Opdracht: individueel of in voor werken in subgroepen
Tijd: 1 – 1,5 uur
Lees de casus zorgvuldig door en beantwoord de vragen individueel of in een kleine groep van studenten (4 -5).

Meneer De Vries is enige tijd geleden op 78-jarige leeftijd overleden. Sindsdien is mevrouw De Vries (79) een aantal keren met onduidelijke buik- en slaapklachten op het huisartsenspreekuur geweest. Zij heeft sinds een paar jaar type-II-diabetes. Zij woont nog zelfstandig en is al een paar keer gevallen in huis. Ze was altijd al wat angstig en onzeker, en onderneemt de laatste tijd weinig activiteiten buitenshuis meer. Daardoor is haar sociale netwerk de laatste jaren behoorlijk geslonken. Haar enige zoon (49) is een paar keer naar het spreekuur van de huisarts gekomen om zijn beklag te doen over het claimende en controlebehoeftige gedrag van zijn moeder. Hij vertelt onder andere dat de ‘belterreur’ van zijn moeder sinds de dood van haar man flink is toegenomen. Op basis van de Mini-Mental State Examination en de bevindingen van de praktijkondersteuner die mevrouw De Vries regelmatig ter controle ziet, vermoedt de huisarts dat er sprake is van cognitieve problematiek. Hij verwijst mevrouw voor nadere diagnostiek naar de Ouderenzorg van de plaatselijke ggz-instelling en vraagt jou als casemanager om eens polshoogte te nemen.

Bij nader onderzoek vindt men echter geen cognitieve stoornissen. Een paar weken later komt mevrouw De Vries opnieuw in huis ten val.  Wanneer jij ter plekke arriveert, is haar zoon daar al aanwezig. In de keuken vinden jullie een aantal lege wijnflessen. Mevrouw blijkt dagelijks drie tot vier glazen te drinken, naar eigen zeggen vooral om zich minder angstig te voelen nu haar man er niet meer is.

  • Welke (verpleegkundige) diagnoses stel je vast op basis van de casus?
  • Ga je met alle diagnoses aan de slag? Of parkeer je diagnoses?
  • Welke doelen zou je met mevrouw willen bereiken?
  • Met welke termijn?
  • Waar houd je rekening mee?
  • Wie heb je daarbij nodig?

Opdracht 6: Casus Verslavingsziektes nr. 2

Opdracht: individueel of in voor werken in subgroepen
Tijd: 1 – 1,5 uur
Lees de casus zorgvuldig door en beantwoord de vragen individueel of in een kleine groep van studenten (4 -5).

Dhr. Breedveld is 68 jaar en al enkele jaren diabeet. Jouw hulp als wijkverpleegkundige is ingeroepen door de praktijkondersteuner van de huisarts omdat dhr. maar sterk schommelende bloedsuikerwaarden blijft houden. Onlangs is dhr. buiten bewustzijn aangetroffen door de buurman, ten gevolge van een hypo.
Dhr. heeft van de praktijkondersteuner al meerdere malen informatie gehad over diabetes en een daarbij passende leefstijl. Dhr. geeft steeds weer aan zich aan zijn leefstijlregels te houden.

Bij binnenkomst in de woning tref je echter een flink vervuild huis aan en je ziet overal lege drankflessen en bierblikken staan. De heer is vriendelijk in contact en geeft aan dat hij de grip op een aantal zaken heeft verloren. De heer heeft twee katten die er goed doorvoed uit zien, de kattenbak is echter in tijden niet schoongemaakt. De stroom blijkt afgesloten waardoor de heer grote delen van de dag in het donker zit. Een koelkast (voor het bewaren van etenswaren en de insuline(!) heeft de heer niet. De heer heeft 2 kinderen waar hij geen contact meer mee heeft. Het enige contact dat de heer heeft is met de buurman, die nu elke ochtend komt kijken of de heer wel wakker wordt.

  • Hoe pak je dit aan?
  • Welke diagnoses stel je vast?
  • Welk gesprek ga jij met dhr. voeren?
  • Welke prioriteiten wil je stellen?
  • Welke doelen wil je op korte termijn bereiken?
  • En welke op lange termijn?
  • Met wie ga je overleggen om te gaan samenwerken?

Deel deze pagina Facebook Twitter LinkedIn E-mail

Sluit pop-up

Ook verwarde mensen buiten het werkveld van de psychiatie.

‘Vroeger koos je voor de psychiatrie als je met verwarde mensen wilde werken, nu kom je ze in elk werkveld tegen. Het is geen keuze meer. Je moet als zorgprofessional met verward gedrag kunnen omgaan.’ (hulpverlener)

https://www.youtube.com/watch?v=5kF2XCuo_K0

Sluit pop-up

Een droom waar je niet uit kan

‘Het is alsof je in een droom zit, waarvan je je soms wel bewust bent, maar waar je niet uit kunt stappen.’ (Tim, maakte een psychose door)

https://www.youtube.com/watch?v=3IVHShZ4fRE