Kennisbundel Risicosignalering

Vilans

Aan de slag met risicosignalering

Een overzicht van de stappen die je kunt zetten om risico's te signaleren en op te volgen.

Stappenplan

Risicosignalering maakt deel uit van het zorgproces. Het vraagt om een methodische aanpak. Zo’n aanpak heeft verschillende benamingen: methodisch handelen, planmatig werken, klinisch redeneren. In alle gevallen gaat het om een cyclische manier van werken: je gaat na wat er aan de hand is, bepaalt samen met de cliënt de doelen en acties, je voert ze uit, je evalueert samen met de cliënt en je stelt bij. Al deze stappen beschrijf je in het zorgleefplan.

Dit stappenplan helpt daarbij. Het bestaat uit drie fasen die je continu doorloopt.

Fase 1: Verkennen

Fase 2: Plannen en doen

Fase 3: Evalueren en bijstellen

Fase 1: Verkennen

In de verkenningsfase onderzoek je risico's die de cliënt loopt. Dit doe je door de cliënt te observeren en vragen te stellen aan hem en zijn mantelzorger. Ga na welke risico's een cliënt zelf waarneemt en of dit strookt met jouw professionele inschatting.  Bespreek in hoeverre de cliënt de risico's aanvaardbaar vindt. Maak samen een afweging over het alternatief. Is het middel beter dan de kwaal? Meer veiligheid, bijvoorbeeld wanneer iemand op een gesloten afdeling wordt geplaatst, kan immers ook een negatief effect hebben op de vrijheid van de cliënt.

Bekijk het thema vrijheidsbepering op de website van Zorg voor Beter.

Observeren en verstorende factoren

Observeren

Observeren is geen losstaand onderdeel van je werk maar een essentieel onderdeel van je vak. Je doet het voortdurend en bij elk contact. Het is doelgericht, planmatig en objectief. Hieronder leggen we uit wat hiermee wordt bedoeld.

  • Doelgericht
    Observeren doe je niet zomaar. Je hebt er een bepaald doel mee. Dat kan een algemeen doel zijn (hoe gaat het met mijn cliënt, hoe reageert hij op een nieuwe situatie, hoe ziet zijn omgeving eruit?) of een specifiek doel (hoe reageert mijn cliënt op zijn nieuwe medicijnen, heeft hij last van bijwerkingen, heeft hij smetplekken?)
  • Planmatig
    Observeren doe je altijd en overal, bij elk contact met de cliënt. Maar daarnaast plan je de observatie en risicosignalering ook bewust in. Doe dit vaker als je merkt dat het nog geen automatisme is. Bepaal dan welke verschijnselen, symptomen of risico’s je wilt observeren, wanneer je dat het beste kunt doen, op welke manier en met wie?
  • Objectief
    Objectief observeren is niet eenvoudig. Je observaties worden altijd gekleurd door je eigen normen, waarden en achtergrond. Je kunt het observeren zo objectief mogelijk maken door:
    • te observeren met meer zorgverleners
    • na te vragen bij de cliënt of je observatie klopt
    • na te vragen bij anderen of je observatie klopt
    • je observaties te vergelijken met uitingen van de cliënt
    • herhaald te observeren.

Vaardigheid in observeren vraagt om kennis over wat normaal is, het vermogen om afwijkingen te ontdekken en de betekenis van deze afwijking te interpreteren. Daarom is het belangrijk dat je voldoende weet over (symptomen van) ziekten, risico’s en onderliggende oorzaken.

Verstorende factoren

Het is belangrijk dat je observaties de juiste gegevens opleveren. Bepaalde factoren kunnen dat verstoren, zoals:

  • onvoldoende alert zijn op wat er met de cliënt en zijn omgeving gebeurt
  • niet voldoende kennis of ervaring hebben
  • bevooroordeeld zijn of handelen vanuit automatisme
  • te snel conclusies trekken
  • verouderde of inadequate hulpmiddelen gebruiken
  • te veel op één aspect gericht zijn
  • geen goede relatie met de cliënt hebben.
    (De Jong e.a., 2003).

Tips

  • Als observeren nog geen vanzelfsprekend onderdeel van je werk is, is het goed regelmatig een observatie in te plannen en je bevindingen vast te leggen in het zorgleefplan.
  • Maak onderscheid tussen objectieve gegevens (daadwerkelijk waarneembare signalen) en subjectieve gegevens (mening of vermoeden). Vaak geef je je eigen kleur aan de waarneming, vanuit je eigen waarden en normen, ervaringen en vaardigheden. Maar ook een mening of vermoeden kan heel zinvol zijn en aanleiding geven tot verder onderzoek. 
  • Neem een 'niet-pluisgevoel' serieus en doe er iets mee! 

Onderzoeken en Interpreteren

Onderzoeken

Een volledig beeld van de situatie van de cliënt krijg je alleen als je zijn hele omgeving erbij betrekt: familie, mantelzorgers en andere hulpverleners. Neem er de tijd voor als dat kan en handel gericht en pragmatisch als dat nodig is. Bijvoorbeeld wanneer snelheid geboden is. Maak gebruik van de tips in Het Goede Gesprek.

Tips

  • Ga bij de cliënt na of jouw observatie klopt. Is het waar dat hij minder eet? Lukt het niet om op tijd de wc te bereiken? Voelt hij zich de laatste tijd niet zo goed? Wees open en duidelijk, maar breng het met tact, zeker als het gaat om een gevoelig onderwerp zoals incontinentie of vergeetachtigheid. 
  • Betrek als het kan de familie en zeker de partner bij het gesprek. Zij kennen de cliënt immers veel langer dan jij en maken hem veel meer mee. Wat is hen opgevallen? Maken zij zich ook zorgen? 
  • Vraag collega’s, huisarts, fysiotherapeut of andere betrokkenen of zij hetzelfde gezien hebben. 
  • Verzamel waar mogelijk harde gegevens. Als je vermoedt dat de cliënt afvalt, spreek dan met hem af hem elke week te wegen.

Interpreteren

Heb je als verzorgende of verpleegkundige alle gegevens verzameld, dan moet je deze interpreteren. Zo geef je betekenis aan je waarneming en kun je inschatten of je actie moet ondernemen.

Tips

Om je gegevens goed te interpreteren kun je de volgende vragen stellen:

  • Wat houdt het in voor mijn cliënt? Loopt hij daadwerkelijk gevaar? 
  • Hoe groot is dat gevaar? En wat zijn de gevolgen als ik niets doe? 
  • Wat zijn de gevolgen als ik een interventie inzet?
  • Vat je bevindingen daarna samen, trek conclusies en stel een diagnose.

Fase 2: Plannen en doen

Uit je bevindingen blijkt dat vervolgactie nodig is. Dan ga je samen met je cliënt en zijn netwerk doelen bepalen, acties plannen en deze uitvoeren . We noemen dat de 'opvolging'. Soms gaat dat om praktische handelingen (bijvoorbeeld een kleedje verwijderen om vallen te voorkomen), maar vaak ook om advies en voorlichting en motiveren om de zelfredzaamheid te vergroten. Samenwerken met je collega’s in het team is een vereiste voor succes.

Adviseren, voorlichten en motiveren

Adviseren en voorlichten

Je cliënt kan alleen de juiste beslissingen voor zichzelf nemen als hij voldoende kennis en informatie heeft over de risico's en de gevolgen. Bijvoorbeeld over de werking en bijwerkingen van medicijnen, over huidletsel bij incontinentie of over de gevolgen van ondergewicht op de gezondheid.

Tips

  • Ga na welke kennis de cliënt heeft over risico’s en de gevolgen van hetgeen je gesignaleerd hebt. Vul die kennis zo nodig aan.
  • Informatie blijft het beste hangen door herhaling. Geef naast mondelinge informatie ook schriftelijk materiaal, zodat de cliënt dit nog eens kan nalezen. Kijk voor goede en betrouwbare patiëntinformatie op de websites van ziekenhuizen en bij verschillende patiëntenverenigingen.
  • Betrek mantelzorgers en/of familie bij deze gesprekken.

Motiveren

Je cliënt motiveren en stimuleren, vraagt om geduld en kleine stappen. Kies in overleg met de cliënt en zijn netwerk naar datgene wat bij hem past. Zoek naar de innerlijke motivatie. 'Wilt u in de lente weer met uw kleindochter in het park wandelen?' werkt beter dan 'U moet meer bewegen want dat is beter voor uw gezondheid'.

Tips

  • Kijk naar de mens achter de mens. Wat is zijn leefstijl? Welke gewoonten heeft hij? Wat is zijn achtergrond? Wat deed hij vroeger? Wat brengt hem in beweging? Sluit daarbij aan. 
  • Betrek familie en mantelzorgers bij je zoektocht. Zij kennen de cliënt het beste en weten hoe hij vroeger was.

 

Doelen stellen, actie ondernemen en werken in teamverband

Doelen stellen en actie ondernemen

Is duidelijk welk risico de cliënt loopt en waar dat door komt? Is hij daarover goed geïnformeerd zodat hij zijn situatie juist kan inschatten? Dan kun je samen met de cliënt een route uitstippelen voor 'opvolging'. Die begint met het samen vaststellen van het doel. Wat wil de cliënt uiteindelijk bereiken? Dat doel moet realistisch zijn. 'Cliënt is niet meer incontinent' is vaak geen haalbare doelstelling. Maar doelen als 'Het is duidelijk welke vorm van incontinentie de cliënt heeft', 'Cliënt voelt zich fris en goed verzorgd' en 'Cliënt durft weer onder de mensen te komen' zijn misschien wel haalbaar. Op basis van realistische doelen bepaal je samen met de cliënt de interventies. In dit geval zou dat kunnen zijn:

  • De (huis)arts vragen de cliënt te onderzoeken en een diagnose te stellen.
  • Hulp bij dagelijks douchen.
  • Huidverzorging: goed drogen van de huid, gebruik van huidspray.
  • Gebruik van goedpassend incontinentiemateriaal.

Tips

  • De interventies die je kiest moeten passen bij de cliënt én effectief zijn. 
  • Gebruik interventies uit landelijke richtlijnen en standaarden of interventies die zich bewezen hebben.

Bekijk ook de verschillende thema's op www.zorgvoorbeter.nl.

Werken in Teamverband

Risicosignalering is niet alleen een zaak van de cliënt, zijn netwerk en de zorgmedewerker. Het hele team is erbij betrokken. Samen bereik je meer!

Tips

  • Maak duidelijke afspraken met je collega’s en met de naasten van je cliënt over wie wat doet. Leg die afspraken vast in het zorgleefplan. Zo voorkom je dat iedereen op zijn eigen manier aan de slag gaat of dat juist niemand iets doet. 
  • Spreek af dat ieder teamlid altijd de signalen noteert in het zorgdossier. Zo krijgt iedere betrokkene een goed en compleet beeld van wat er speelt bij de cliënt. 
  • Maak gebruik van elkaars kennis en vaardigheden en wissel ervaringen uit. Hoe heb jij dat aangepakt bij die cliënt? Hoe stimuleer jij die cliënt?

Bekijk ook het thema Zelfredzaamheid op de website Zorg voor Beter.

Fase 3: Evalueren en bijstellen

Evalueren doe je om te beoordelen of de acties effect hebben en om te kijken of de situatie van de cliënt veranderd is. Goed evalueren vergt communicatieve vaardigheden, tijd en aandacht.
Afhankelijk van het resultaat van je evaluatie, stel je je doelen en plannen bij.

Hoe vaak evalueren?

De landelijke standaard schrijft voor dat je minimaal eens per half jaar moet evalueren. Dit is echt het minimum. In veel gevallen is het vaker nodig. Bijvoorbeeld als:

  • Jullie acties geen effect hebben. 
  • Jij, een van je collega’s of iemand uit het netwerk van de cliënt een niet-pluisgevoel heeft.
  • De situatie van de cliënt of mantelzorger wijzigt.
  • De lichamelijke of psychische toestand van de cliënt verslechtert of verbetert.
  • De cliënt of zijn familie behoefte heeft aan evaluatie.
  • Andere zorgverleners aangeven zich zorgen te maken.

Tips

  • Evalueer niet 'even tussendoor', maar neem er de tijd voor. Ga er met je cliënt rustig voor zitten. Hij voelt zich dan eerder uitgenodigd om zijn wensen en zorgen kenbaar te maken.
  • Gebruik LSD: Luisteren, Samenvatten, Doorvragen). Bij het thema Goed in gesprek vind je hierover meer informatie.
  • Betrek zo mogelijk de partner of mantelzorger bij de evaluatie. 
  • Vraag ook andere betrokkenen (zoals andere zorgverleners en familie) wat zij vinden.
  • Evalueer de volgende onderdelen:
    • Gelden de eerdere risico’s nog? 
    • Zijn er nieuwe risico’s bijgekomen? Gebruik dan weer de risicosignaleringslijsten.
    • Zijn de doelen nog actueel?
    • Zijn de acties effectief?
    • Is er vooruitgang?
    • Is cliënt tevreden?

Rapporteer de uitkomsten van het evaluatiegesprek in het zorgleefplan. Formuleer zo nodig nieuwe doelen en acties samen met de cliënt. Rapporteer ook de nieuwe doelen en acties weer in het zorgleefplan en stel een nieuwe evaluatiedatum vast.

Hieronder vind je de opdrachten bij dit onderwerp. We zijn benieuwd naar je ervaringen met de opdrachten. We horen graag wat je ermee gedaan hebt.

Je kunt foto's, verhalen en filmpjes naar ons opsturen. Op deze plek in de kennisbundel gaan we de mogelijkheid bieden om je ervaringen te delen met andere docenten.

Via onderstaande knop kun je contact met ons opnemen.

Stuur je eigen materiaal in >

Opdracht: Observatie zintuigen

Geef bij elk zintuig een voorbeeld van een observatie bij een cliënt.

Opdracht: Niet pluis gevoel

Het niet pluis gevoel is een belangrijke vaardigheid. Denk na over een situatie wanneer jij wel eens een niet pluis gevoel hebt gehad. Deel deze met je buurman. De buurman geeft jouw een advies hoe je dit niet pluis gevoel objectief kunt maken. Bijvoorbeeld; mw voelt zich niet lekker en wil niet uit bed. Op jouw vraag wat er aan de hand is geeft ze het antwoord dat ze het niet weet. Objectief:; meet haar vitale functies  de uitkomsten zijn objectief.

Opdracht: Normen en waarden

Bespreek ook je eigen normen en waarden.

  • Wat vind jij belangrijk?
  • Wat zie jij als goede zorgverlening?
  • In hoeverre mag je ingrijpen in het leven van de cliënt?
  • Hoe ga je om met lastige dilemma’s, bijvoorbeeld als jij vindt dat de cliënt gevaar loopt, maar hij zelf niets wil ondernemen?

Mevrouw RoestOpdracht: Casus mevrouw Roest

Mevrouw Roest is 81 jaar. Ze woont in een verzorgingshuis. Het is een redelijk vitale vrouw, maar onlangs is ze gevallen en heeft haar heup gebroken. Ze is geopereerd en heeft een nieuwe heup gekregen. Na een week in het ziekenhuis is ze nu weer thuis. Als de verzorgende ’s ochtends bij haar komt, merkt ze dat mevrouw een beetje in de war is. Ze klaagt over buikpijn.

Aandachtspunten

  • Waardoor wordt de pijn veroorzaakt?
  • Is er mogelijk sprake van een blaasontsteking?
  • Waardoor wordt de verwardheid veroorzaakt?
  • Is er sprake van een delier?
  • Kan mevrouw in deze situatie nog wel voor zichzelf zorgen of heeft ze hulp nodig? Zo ja, welke hulp?
  • Is ze zelf in staat haar medicijnen in te nemen?
  • Eet en drinkt ze voldoende?
  • Is er weer kans op vallen?

Mogelijke risicosignaleringsinstrumenten

  • Delier
  • Beheer Eigen Medicatie (BEM)
  • Valanamnese

Opdracht: Casus de heer Abdullah

De heer Abdullah is 75 jaar. Hij is onlangs zijn vrouw verloren. Zijn kinderen maken zich zorgen en bellen de thuiszorg. De heer heeft diabetes en hartfalen. Hij slikt metformine, furosemide en gebruikt 1x daags 16 eenheden insuline (Lantus). Zijn conditie is slecht, maar hij wil kost wat kost in zijn eigen huis blijven wonen. Zijn kinderen willen best wat voor hem doen, maar kunnen niet elke dag aanwezig zijn.

Aandachtspunten

  • Eet hij gezond?
  • Weet hij voldoende over het belang van goede voeding bij diabetes?
  • En over de relatie tussen eten en het gebruik van insuline?
  • Ook tijdens de ramadan?
  • Is hij in staat zelf zijn medicatie te beheren?
  • Hoe is hij er psychisch aan toe zo na de dood van zijn vrouw?

Mogelijke risicosignaleringsinstrumenten

  • Beheer Eigen Medicatie (BEM)
  • SNAQrc

Mevrouw SimonsOpdracht: Casus mevrouw Simons

Mevrouw Simons is 82 jaar, weduwe, 3 kinderen. Ze woont in een aanleunwoning van een woonzorgcentrum. Ze heeft longkanker met uitzaaiingen in de hersenen. Ze ligt steeds meer op bed. Haar kinderen zijn er vaak.

Aandachtspunten

  • Hoe is het met haar huid?
  • Gaat ze doorliggen?
  • Welke maatregelen moeten genomen worden om dit te voorkomen?
  • Heeft ze pijn?
  • Zijn er goede afspraken met de huisarts over pijnbestrijding?
  • Kan ze nog voldoende eten en drinken?
  • Kan ze zichzelf nog verzorgen of moet ze daarbij geholpen worden?
  • Welke medicatie moet ze nog innemen in haar situatie?

Mogelijke risicosignaleringsinstrumenten

  • Lastmeter
  • Pijnscorelijst
  • Decubitusscorelijst

Deel deze pagina Facebook Twitter LinkedIn E-mail